De open samenleving en haar vijanden

Hoeveel van uw vrijheid bent u bereid af te staan voor de bescherming van uw vrijheid? Deze vraag – al lang geleden gesteld en nu weer zo huiveringwekkend actueel – vloeit voort uit wat bekendstaat als de paradox van de vrijheid: onbegrensde vrijheid leidt tot het recht van de sterkste en dus tot onvrijheid.

Vergelijkbaar is de democratische paradox, dat wil zeggen de mogelijkheid dat de meerderheid zou kunnen kiezen voor een vorm van tirannie en daarmee de afschaffing van de democratie legitimeert.

Actueler dan ooit sinds de jaren dertig van de vorige eeuw is een derde paradox, die van de tolerantie. Onbeperkte verdraagzaamheid moet leiden tot het verdwijnen van elke tolerantie, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen intolerante aanvallers.

De filosoof Karl Popper (1902-1994) heeft in zijn beroemde The Open Society and Its Ennemies betoogd dat al deze paradoxen vermeden kunnen worden. Ik eis van de staat bescherming, redeneert hij, niet alleen van mezelf, maar ook van anderen. Ik vraag bescherming van mijn vrijheid en die van anderen. Ik wens niet te leven bij de gratie van iemand met sterkere vuisten of grotere wapens. Dus ik ben volkomen bereid mijn eigen vrijheid van handelen enigszins te laten inperken door de staat, op voorwaarde dat de mij resterende vrijheid wordt beschermd, en als ik weet dat bepaalde vrijheidsbeperkingen noodzakelijk zijn. Maar ik eis dat het fundamentele doel van de staat niet uit het oog wordt verloren: de bescherming van de vrijheid die anderen niet schaadt. Daarom eis ik dat de staat de beperking van de vrijheid gelijkelijk aan alle burgers oplegt, en niet verder gaand dan nodig is voor een voor iedereen gelijke begrenzing van de vrijheid.

Toegepast op het voorstel van minister Donner voor een verdergaande inperking van de vrijheid van meningsuiting dan de bestaande bepalingen tegen opruiing, aanzetten tot haat, belediging van bevolkingsgroepen, enzovoort, leidt deze redenering tot de volgende vraag: Is de strafbaarstelling van het goedpraten, bagatelliseren of ontkennen van terrorisme en oorlogsmisdaden in een democratische samenleving noodzakelijk? De minister zal moeten aantonen dat wat hij voorstelt niet alleen maar – in zijn visie – wenselijk is, of handig als het zo uitkomt, maar onmisbaar ter bescherming van wat Popper de open samenleving noemt.

Waar geen meningsverschil over bestaat, is de noodzaak van weerbaarheid tegen het terrorisme. Popper betoogt dat de beschaving nog altijd niet hersteld is van de schok van haar geboorte – de overgang van de tribale of gesloten samenleving, met haar onderwerping aan magische krachten, naar de `open samenleving' die de kritische vermogens van de mens vrijmaakt. De schok van deze overgang is een van de factoren die de opkomst mogelijk hebben gemaakt van reactionaire bewegingen die geprobeerd hebben, en nog altijd proberen, de beschaving omver te werpen en naar het tribalisme terug te keren. Onder tribalisme verstaat hij de nadruk op het overwegende belang van de stam (of groep) waartegenover het individu helemaal niets voorstelt.

Het is niet moeilijk in het heimwee naar het tribalisme een mogelijke drijfveer van islamitische terroristen te herkennen. Zij zijn de vijanden van de open samenleving. En aangezien zij niet vatbaar zijn voor rationele argumentatie, moet de open samenleving gebruikmaken van haar recht hen te bestrijden, desnoods met geweld, en in naam van de tolerantie duidelijk maken dat hun streven niet wordt getolereerd.

Maar we moeten onder ogen zien dat er een nieuwe paradox tevoorschijn dreigt te komen: kan de verdediging van de open samenleving op termijn leiden tot een gesloten samenleving? Deze vraag is, gericht tot Donner en premier Balkenende, niet zo abstract en theoretisch als het lijkt.

Zij maken zich bij voortduring druk over de `normen en waarden' van de individuele burgers. Op allerlei manieren rekenen zij het tot de taak van de overheid, dat wil zeggen tot hun eigen taak, fatsoens- en leefregels aan anderen voor te houden en voor te schrijven. In de filosofie van Popper is een dergelijke houding kenmerkend voor de aanhangers van de gesloten samenleving. Dezen pleiten voor een staat die zich druk maakt over de moraal van de burgers, en die zijn macht niet zozeer gebruikt om de vrijheid van de burgers te beschermen als wel om controle uit te oefenen over hun morele leven. Volgens Popper gaat zo'n uitbreiding van het gebied waarop de overheid de normen wil handhaven ten koste van de moraal als zodanig. Daar verstaat hij de normen onder die niet worden opgelegd door de staat maar door onze persoonlijke morele besluiten, door ons geweten.

Wie de overheid laat waken over de moraal, ziet schijnbaar niet dat dit het einde zou betekenen van de morele verantwoordelijkheid van het individu en dat zoiets de moraal niet zou dienen, maar vernietigen. Het zou persoonlijke verantwoordelijkheid vervangen door `tribalistische taboes'. Tegenover deze houding stelt Popper dat de moraal van staten (als er zoiets bestaat) aanzienlijk meer te wensen overlaat dan die van de gemiddelde burger. Het is veel meer gewenst dat de moraal van de staat wordt gecontroleerd door de burgers dan omgekeerd. ,,Wat we nodig hebben en willen, is moraal in de politiek en niet het politiseren van de moraal.''

Naar mijn idee zijn Donner en Balkenende wat te veel in de weer met het politiseren van de moraal. Ik denk niet – om elk misverstand uit te sluiten – dat zij tegenstanders zijn van de open samenleving, maar ik vrees dat zij het `tribalisme', zoals Popper het noemt, zodanig willen bestrijden dat dit aan dat tribalisme tegemoet komt: uitgaande van het verlangen naar de verloren eenheid van een samenleving waarin de overheid het individu ontlast van de verantwoordelijkheid voor de eigen ethische keuzen.

Daarom: laat de overheid zich alsjeblieft beperken tot het noodzakelijke. Bij elke maatregel – meer opsporingsbevoegdheden, inperking van sommige privacyrechten, strafbaarstelling van het beramen van terroristische misdrijven – moet worden aangetoond dat hij onontbeerlijk is ter beveiliging van de burgers. Op het gebied van de vrijheid van meningsuiting weegt deze eis extra zwaar, omdat die vrijheid essentieel is voor de handhaving van de open samenleving.

    • Elsbeth Etty