En toch is zij plat

De Britse filosoof John Gray heeft de Amerikaanse columnist Thomas Friedman in het nieuwste nummer van The New York Review of Books stevig de mantel uitgeveegd. Dat vind ik vervelend. Thomas Friedman is mijn favoriete columnist. Eigenlijk is hij geen columnist maar een wereldcorrespondent, hij is altijd op reis en hij krijgt wegens zijn enorme staat van dienst de belangrijkste mensen op aarde te spreken. Tja, bestsellerschrijver, zijn boek over het Midden-Oosten is in tien talen vertaald en tot in China en Japan een standaardwerk; twee keer winnaar van de Pulitzer Prize, bevriend met Bill Clinton en premier Manmohan Singh van India en zo verder. En de man kan schrijven. Hij heeft zo'n aanstekelijke stijl dat ik mij na het lezen van zijn column een stuk beter voel.

Zijn jongste boek heet The World is Flat: A Brief History of the Twenty-first Century. Je moet maar durven, een geschiedenis over een eeuw die amper is begonnen. Maar als je Thomas Friedman bent, durf je het.

Het boek gaat over de manier waarop de computertechnologie een nieuwe fase in de wereldgeschiedenis inluidt of beter, een reeds begonnen fase in een hogere versnelling brengt: de fase van de globalisering en de opkomst van grootmachten als India en China. Friedman houdt meer van India dan van China, ook al onderschat hij China niet. Maar hij is werkelijk gek op India, met name op Bangalore, het Silicon Valley van India. Daar hoorde hij de opmerking van een computerspecialist dat de wereld platter wordt. Dankzij de computer en vooral internet raakt de welvaart steeds beter verdeeld en als het allemaal zo doorgaat, zal er geen sprake meer zijn van een hiërarchie tussen rijk en arm. Iedereen is rijk en iedereen is modern. Het is volgens Friedman nu alleen een kwestie van hard studeren, Engels en informatica leren, en hup: de wereldmarkt staat voor je open.

Het is ongelooflijk optimistisch en hoopgevend, maar volgens John Gray dus ook ongelooflijk naïef en kortzichtig. En wie was Friedman in die naïviteit en kortzichtigheid ook alweer voorgegaan? Karl Marx.

Thomas Friedman, de fervente neoliberaal, volgt precies de schematische denkwijze van Marx, die dacht dat technologische vernieuwingen de wereldeconomie omhoog zouden stuwen en alle oude sentimenten, identiteiten en geloofsovertuigingen in rook zouden doen opgaan. In de woorden van Marx en Engels in het Communistisch Manifest: Alle ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerbiedwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen voordat zij kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanschouwen.

In het Engels klinkt het mooier en compacter in de beroemde regel: `All that is solid melts into air.' Uiteraard, Marx dacht dat daarna de weg vrij zou zijn voor de revolutie van het wereldproletariaat en dat dan pas de wereldheilstaat zou ontstaan, maar voor Friedman is het wegsmelten van ouderwetse denkwijzen als nationalisme en godsdienst meer dan voldoende. Als nationalisme en godsdienst verdwenen zijn, is iedereen liberaal en modern. Het is binnen handbereik: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Nu is zo'n utopie heel gemakkelijk belachelijk te maken. Je hoeft maar te wijzen op het fundamentalistische in de islam, op het autoritaire en ondemocratische van China, op het corrupte van Rusland, op het armoedige van India en je bent er. John Gray doet er nog een fijn schepje bovenop door te wijzen op het nieuwe nationalisme en antiglobale in uitgerekend landen als Frankrijk en Nederland. Door hun nee tegen de Europese Grondwet hebben zij uiting gegeven aan hun angst voor nieuwe grootmachten als China en India en is de globalisering feitelijk al een halt toegeroepen. Afijn, Gray wijst terecht op het overenthousiasme van Friedman. Zelfs in Friedmans geliefde India zie je de oude identiteiten niet echt wegsmelten. Die jongens en meisjes die het economische wonder tot stand brengen in Bangalore, blijven in hun diepste wezen hindoes. Wat zeg ik: ze blijven brahmanen.

Als Friedman iets nuchterder naar India had gekeken, zou het hem zijn opgevallen dat de meeste werknemers in de Indiase IT-sector tot de hoogste kaste van priesters behoren. Daar is een verklaring voor: brahmanen worden hun hele leven getraind in het leren en feilloos reproduceren van de in het Sanskriet gestelde Vedische geschriften, waardoor ze een enorme voorsprong hebben op alle niet-brahmanen.

En het grappige aan brahmanen is: hoe welvarend en modern ze ook worden, het blijven brahmanen. Ze kunnen het domweg niet afleren, hun gevoel voor ceremonie en ritueel, en ook hun gevoel voor rang en stand is onuitroeibaar. Niks ingeroeste verhoudingen die oplossen, niks feodale opvattingen die verdampen, het heilige blijft even heilig als voorheen en de platheid is ver te zoeken.

En toch gebeurt er iets merkwaardigs in India. Ik ken een jonge brahmaanse computerspecialist die verliefd is geraakt op een brahmaans meisje op dezelfde afdeling als waar hij werkt. Beide families keuren de relatie goed, dus komt het aan op het vaststellen van een huwelijksdatum. Als ik met mijn brahmaanse vriend in India chat (chatten is bijna de essentie van globalisering), vraag ik hem schertsend naar de datum. Maar zijn vriendin wil nog niet trouwen. Ze zijn beiden vijfentwintig en dat is in India de hoogste tijd. Maar zij wil eerst carrière maken; in een huwelijk en in kinderen heeft ze de komende jaren geen zin. En het meest opvallende is dat hij haar wens respecteert.

De ingeroeste verhouding tussen man en vrouw is in dit kleine geval al ietsjes platter aan het worden en op deze kleine dingen moet je letten om te zien waar de wereld naartoe gaat. Het is nog een lange weg, maar ik wil dat Thomas Friedman gelijk krijgt.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas