Sobere aanpak media vermindert angst na aanslag

Elk volk heeft zijn eigen geschiedenis, ook zijn eigen houding tegenover terreur. Maar ligt de onbuigzame, bijna laconiek te noemen reactie van de Britten werkelijk alleen aan hun `volkskarakter' met die ingebouwde stiff upper lip, zeker in tijden van tegenslag? De aard van de aanslag, de rol van de media en het optreden van de politieke leiders spelen een grotere rol.

Natuurlijk, het is bewonderenswaardig, die nuchtere reactie van de bevolking. En de verwijzingen naar de ervaring met de talloze aanslagen van de IRA, en met the Blitz, zijn terecht. In 1945 zei Winston Churchill over de houding van zijn volk tijdens de oorlog: ,,It was the nation that had the lion

heart. I only did the roaring.'' Maar dit was valse bescheidenheid. In die `vijf dagen in Londen', eind mei 1940, was hij het, en niemand anders, die doorzette dat er niet met Hitler werd onderhandeld.

Tony Blair heeft na de aanslagen van donderdag in die slechts minuten durende persconferentie precies de juiste woorden gesproken, emotioneel maar beheerst. Hij sloot de Britse moslimbevolking niet uit maar in. Hij vermeed elke oproep tot een war on terror die men zou gaan `winnen', zoals Bush deed en doet, maar keerde soepel terug op hét thema van de dag, G8 en Afrika. Net zoals Churchill met diens `bloed, zweet en tranen'-rede, bewees Blair de kracht van het woord. En in tijden van nood geldt: hoe korter, hoe krachtiger. De stem zelf en de gelaatsuitdrukking doen het meeste werk. Studies naar de reacties onder Amerikanen na `9/11' tonen het grote belang aan van het (tv-)optreden van `de leider', in dit geval president Bush. Dat werd de eerste dagen als zwak beoordeeld, wat de angst vergrootte.

In onze mediacultuur zijn tv-presentatoren bij rampen, net als bij verkiezingsdebatten, net zo belangrijk als de politici. Hun woorden, toon en mimiek zijn in hoge mate medebepalend voor de reactie van de kijker. Zeker als er angst te bespeuren is, want angst is misschien wel de besmettelijkste emotie. De BBC-presentatoren waren de kalmte en professionaliteit zelve. Waarom? Hebben ze door de decennialange ervaring met de vooraf gemelde en meestentijds bloedeloze IRA-aanslagen (en met de wettelijke mediacensuur over de IRA) deze, lang verwachte, terreuraanslag intuïtief in een frame gezet van zakelijke en terughoudende berichtgeving?

Of was er een telefoontje van hogerhand, en koos men daarom van meet af aan, en volgens eerder gemaakte afspraken, voor terughoudendheid in feiten, interviews en in beelden? De BBC, noch de Britse kranten, zeggen hier iets over. Maar het is moeilijk denkbaar dat er in de afgelopen paar jaar, met die veelgeprezen grootschalige rampenoefening, materiële aanpassingen van het openbaar vervoer, én die oproepen tot waakzaamheid via al die posters, níét met de omroepen is gesproken.

Als dit niet het geval was, hebben de aard en ontwikkeling van de aanslagen de terughoudendheid bevorderd, wat dan een geluk bij een ongeluk genoemd moet worden. Immers, de aanslagen waren bijna tegenovergesteld aan die op de Twin Towers, namelijk onzichtbaar onder de grond, en vooral niet live op televisie. Onduidelijkheid en verwarring waren de eerste uren troef, en die verklaren mede de terughoudendheid van de televisie, en zelfs van de boulevardkranten de volgende dag. Pas gisteren kwamen familieleden van de eerste geïdentificeerde slachtoffers aan het woord. Op de eerste dag(en) zagen we in beeld en op foto's voornamelijk hulpverleners of zeer licht gewonden, en getuigen die van grote afstand de klap in de dubbeldekker hadden gehoord. We zagen en hoorden géén Londenaren die angstig zeiden niet meer met de metro te gaan. Dit had de schijn van regie.

Men speculeerde niet, gaf over het aantal doden alleen door wat de politie verklaarde, en dat getal liep slechts zeer langzaam op. New York kenmerkte zich door live-(amateur)beelden, emotionele verslaggevers, nieuwe rampmeldingen (Washington, Pennsylvania) en meer gissingen en geruchten. Het dodental in het WTC werd direct op meer dan 50.000 geschat (het werden er circa 2.750).

Ook vergeleken met de bovengrondse terroristische aanslagen op treinen in Madrid was Londen in aantal slachtoffers `kleiner' en in beelden onzichtbaarder. Het verschil met de dubbeldekker is dat deze binnen tien minuten werd afgeschermd van alle nieuwsgierigen, inclusief de media.

Zo bood `Londen' letterlijk en figuurlijk een heel ander beeld dan `Madrid' en `New York'. In een bijna vloeiende, automatische beweging werd de ramp kleiner gemaakt en niet groter, en werd de bevolking bijna direct therapeutisch omarmd door Blair. De media brachten de werkelijkheid langzaam en gedoseerd. En dat is goed. Onderzoek toont namelijk ook aan dat de mensen die aan het beeld gekleefd blijven zitten, meer kans hebben op een post-traumatische stress-stoornis dan zij die ook andere activiteiten ontplooien op de rampdag, of zich op verschillende manieren informeren.

De effecten waren ongetwijfeld erger geweest als de aanslag anders van aard was geweest. Het antrax-gif eiste in 2001 slechts enkele levens, maar bezorgde miljoenen Amerikanen angst. Ook een enkele crimineel, zoals de Washington Sniper in 2002 of de Utrechtse serieverkrachter hier, veroorzaakte in de wijde omgeving grotere angst dan dit soort aanslagen die je door kansberekening kunt wegrationaliseren, net zoals bij verkeersongelukken gebeurt. Zo zal een bom met radioactieve straling een veel grotere angst veroorzaken dan dit soort te lokaliseren `blikseminslagen'.

Op de vraag of `7/7' door de historische ervaring, door de toevallige omstandigheden of door een via de media geregisseerde emotionele crowd control zo bijzonder is geworden, zal nader onderzoek ongetwijfeld meer licht werpen. Wat Londen nu reeds duidelijk maakt, is dat een goede verwerking van aanslagen als deze het meest gebaat is met een zekere harmonie tussen overheid, politie en media, met behoud van ieders taken en verantwoordelijkheden, dat spreekt.

Het is waar, de Nederlandse media zijn, als het gaat om bloederige beelden en feiten uit verre oorden, zeer verantwoordelijk. Dat is ook vertrouwd materiaal, en daarin schuilt de onderschatting van de nieuwigheden die ons om de hoek te wachten kunnen staan. Daarom is het dringend noodzakelijk dat er overleg komt waarin diverse rampscenario's worden besproken. Want al kent elke grote ramp zijn eigen dynamiek en effecten, sommige effecten van de `presentatie van de werkelijkheid' zijn voorspelbaar. De media spelen daarin de hoofdrol.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit en auteur van `Politie en Media. Feiten, fictie en imagopolitiek'.

    • Henri Beunders