Hopeloze ambities

Iedereen die net een indrukwekkende roman heeft dichtgeslagen, herkent de verzuchting: wat zou het heerlijk zijn om te weten hoe het verder gaat met de overgebleven personages. Dat niet alleen lezers zulke fantasieën hebben, blijkt uit het grote aantal zogeheten sequels van beroemde boeken (Carrolls Through the Looking Glass, Dumas' Vingt ans après) en ook – op kleinere schaal – uit de `verantwoording' in Jacques Kruithofs Schildersverdriet. Zes jaar geleden publiceerde Kruithof de bundel Vorige levens, met als sterkste verhaal `Het laatste oordeel', over een Brugse schilder in godsdienstige gewetensnood. Nu komt hij met een `voortzetting', waarin hij de katholieke schilder (en de vrouw van wie hij wreed gescheiden werd) dertig jaar later laat rondlopen te midden van de verschrikkingen van de Tachtigjarige Oorlog.

Heel veel nieuws biedt Schildersverdriet niet. Kruithof herplaatste zijn verhaal van dertig bladzijden integraal als deel I van de roman (`Altaarstuk') en wisselde het vervolg (`Dubbelportret') af met bewerkte fragmenten van Hoofts Historiën. Dat zou natuurlijk geen bezwaar zijn als hij van het geheel een gave historische roman had gemaakt. Maar de opmaat tot het weerzien tussen de schilder en de vrouw die hij ongewild verried, wordt bleekjes verteld – inclusief veel (historische) uitleg, die onhandig door het verhaal gevlochten is, en met behulp van onwaarachtige innerlijke monologen. Het einde, een Liebestod tijdens de plundering van Naarden, is zelfs een verbluffend staaltje pulpfictie, met een bloedslurpende Spaanse soldaat en een goedkope laatste zin: `Mijn God, dacht zij, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten.'

Leave well enough alone, luidt de Engelse wijsheid. In het geval van Schildersverdriet is het duidelijk dat de latere toevoegingen de vijand zijn van het oorspronkelijke verhaal. Zelfs de sterke zinnen, die Kruithof echt wel kan schrijven, zijn vooral te vinden in het eerste deel. `Die door de wereld zal geraken, die moet kunnen huilen met de honden' denkt de schilder wanneer hij beseft hoe opportunistisch hij is. En als hij zich verbaast over het overdreven zondebesef van de nieuwe protestante sektes (waartoe ook zijn vrouw behoort) staat er: `Als hun geweten zo knaagde, dacht hij vaak, bleef er straks weinig eetbaars voor de wormen over.'

Het zwakke punt van Schildersverdriet zijn de personages. Noch Adriaen, de Vlaamse meester die boer en balling wordt om te boeten voor zijn inschattingsfouten, noch Bregje, de vrouw die de Spaanse Inquisitie overleeft, komt uit de verf; hun hereniging, die je al van verre ziet aankomen, roept geen emotie op. Voor een geslaagde historische roman is een beetje `couleur temporale' niet genoeg; je moet een hoofdpersoon scheppen die de lezer dwingt tot meeleven. Iemand als Anna, bijvoorbeeld, de ikfiguur uit De stomme zonde, de tweede roman van Anja Sicking (1965). Anna is een beschaafde jonge vrouw die rond 1730 na een verwoestende brand in haar ouderlijk huis door armoede gedwongen is uit werken te gaan. In Amsterdam wordt ze dienstbode van een muziekuitgever, op wie ze haar verlangens naar liefde en een burgerbestaan projecteert. Tevergeefs, want Monsieur Malapert verbergt een geheim dat niet alleen hemzelf maar ook Anna in grote moeilijkheden brengt.

`Ik ben een nuchtere vrouw, die altijd in de eerste plaats naar de feiten kijkt,' zegt Anna aan het begin van haar relaas; en niet veel later schrijft ze: `niet iedereen heeft een scherp beeld van zichzelf of doet op zijn minst zijn best dat te krijgen.' Het zijn mooie voorbeelden van dramatische ironie, want Anna toont zich in haar memoires een dromer en iemand die zichzelf slecht kent. Ze is zich net zo min bewust van haar hinderlijke superioriteitsgevoel ten opzichte van de lagere klassen als van de hopeloosheid van haar ambities. Ze is trots op het feit dat zij als dienstbode zeer bedreven is in de kunst `om te doen alsof zij nergens van weet', en beseft niet hoe pijnlijk waar dat is. En als ze denkt haar meester te kunnen beschermen, zorgt ze er in werkelijkheid voor dat hij een gruwelijke dood tegemoet gaat.

Niet alleen wegens haar beroep doet Anna denken aan de ikfiguur van The Remains of the Day, Kazuo Ishiguro's roman over een superformele butler in het Engeland van vóór de Tweede Wereldoorlog. Beide personages zijn te verkokerd om in te zien in wat voor wespennest ze verzeild zijn geraakt; beide worstelen met schuldgevoelens en de herinnering aan gemiste kansen; beide zijn niet al te sympathiek maar veroveren toch het medeleven van de lezer. Dat het niettemin oneerlijk zou zijn om De stomme zonde te vergelijken met de klassiek van Ishiguro, komt doordat Sicking een wat minder strakke stijl heeft. Terwijl de taal van Mr Stevens bij al zijn formeelheid iets helder-poëtisch houdt, is die van Anna wat onbeholpen, ook al omdat ze – vanaf de eerste zin – schrijft met hindsight en terugvalt op woordjes als `achteraf' en `destijds'.

Om de spanning hoef je De stomme zonde niet te lezen. Uit de titel, de achttiende-eeuwse vertaling van crimen nefandum, blijkt al dat Sickings roman over homoseksualiteit gaat; sommige lezers zullen de historische context zelfs kennen, want de beschreven gebeurtenissen in het jaar 1730 gelden als de eerste grootscheepse heksenjacht op homo's uit de Nederlandse geschiedenis. Het drukke mannelijke verkeer rondom het `sekreet' naast het Paleis op de Dam, of de relatie van Monsieur Malapert met de liederlijke zoon van een van zijn compagnons zijn voor ons dan ook heel wat minder raadselachtig dan voor Anna. En omdat zij het verhaal jaren na dato vertelt, weten we dat het met haar niet dramatisch is afgelopen.

Wat De stomme zonde tot een knap boek maakt is de manier waarop Sicking Anna in haar eigen woorden tot een tragisch figuur boetseert. De mooiste voorbeelden daarvan zijn de passages waarin Anna vertelt over de rok die ze met Assepoestergeduld van een duurgekocht stuk stof maakt. Met chique kleren hoopt ze genoeg indruk te kunnen maken op Monsieur Malapert om hem te verleiden tot een huwelijk. Maar op de dag dat ze de rok in première laat gaan, heeft de muziekhandelaar andere dingen aan zijn hoofd – zeker als hij van haar hoort dat ze (in die rok) net door de dienaren van de schout is ondervraagd. De rok zal in Anna's herinnering altijd verbonden blijven met het verraad dat ze ongewild gepleegd heeft – een getuige van wat ze aanduidt als haar eigen stomme zonde.

Jacques Kruithof: Schildersverdriet. Een Nederlandse historie. Atlas, 176 blz. €17,50

Anja Sicking: De stomme zonde. Contact, 173 blz. €16,90