Wim Van Huffel

Als José Rujano niet drie weken lang op de ontelbare cols en colletjes van de Giro zo ijverig puntjes bij elkaar had gesprokkeld voor de groene bergtrui, dan was hij zondag zonder twijfel in la maglia rosa Milaan binnengewenteld. Nu bleef hij steken op 45 seconden van Savoldelli.

Als.

De Giro van Rujano, een Venezolaan van net geen vijftig kilo met de gelaatstrekken van een vijftienjarige, stond in het teken van de ontdekking van zichzelf. Naar verluidt betaalt zijn sponsor Sella Italia hem een schamele 30.000 euro per jaar, waarvan hij het grootste deel naar zijn straatarme familie in het geboortedorp overboekt. Al zouden deze feiten niet helemaal kloppen, het gefladder van de dwerg die leek te bezwijken onder een veel te grote pothelm ontroerde me dagelijks.

Dit brengt me bij de Vlaming Wim Van Huffel.

Als Wim Van Huffel niet door een paar valpartijtjes tijdens de eerste etappes dat lullige minuutje aan zijn broek had gekregen, dan had hij mooi tot de tien besten in plaats van tot de elf besten van de Giro behoord.

Net als Rujano was Van Huffel in zijn eerste grote ronde op ontdekkingreis naar zichzelf. Het wegdek behoefde maar een paar procent te stijgen of we vonden Van Huffel terug in de eerste pluk coureurs. Wat zeg ik, Van Huffel was een dagelijkse constante, een vlammende boei in de branding. Een slanke slungel die nog liever zijn stuur opvrat dan dat hij ophield met stampen. VRT-verslaggever Renaat Schotte sprak op den duur niet meer van Wim Van Huffel maar uitsluitend en liefdevol van `Wim'.

Na de etappes mocht Wim voor de microfoon kond doen van de slijtageslag op de rotsen. `Eh ja ik voel me goed, hè eh ja zo is het.' De stem klonk als een blaasbalg die een hoge C probeerde te raken. Het waren stem en woordenschat die me ten slotte overtuigden: dit is er eentje die je niet zomaar kapot krijgt, de Belgen hebben een goudhaantje in huis, een fossiel.

Na de reportage allang kwam ik niet meer los van Wim. `Wim schept nu voor de derde keer zijn bordje vol', dacht ik tegen acht uur in de avond. Het kon niet anders dan dat Wim een gezonde eetlust bezat die de reservoirs aan het afvullen was om er de volgende dag weer vol in te vliegen. Ik stelde me hem voor aan een eettafel, even krom en gretig als op de fiets. En om half tien wist ik: ``Wim slaapt''. Wim slaapt immers als er geslapen moet worden, die ligt niet wakker van hitte, vermoeidheid of nervositeit.

Zaterdag werd de Colle delle Finestre bedwongen, achttien kilometer klauteren met een gemiddelde stijging van tegen de tien procent, de laatste acht kilometer over een ezelspad van aangestampt grind. Een poging om een vooroorlogse epoque naar het heden te verplaatsen? Af en toe vergaste de regisseur ons op zwartwit beelden. Leuk gedaan, maar Coppi zag ik nergens.

Vlak achter het kopgroepje hees Wim zich naar de wolken, in kleur en volstrekt in balans met het stof. Daar kroop honderd jaar historie omhoog.