Non, vijftien jaar later

Vijftien jaar geleden is het pas dat er na een reeks vreedzame revoluties in Oost-Europa een einde kwam aan de Duitse en de Europese deling. Kort daarna volgde de implosie van de Sovjet-Unie. Die gebeurtenis maakte van de vooral in West-Europa als staatsman, vernieuwer en mondiaal ijsbreker gevierde Michail Gorbatsjov een gewaardeerd bezoeker van internationale congressen en symposia. Vervolgens werd hij vrij snel een nagenoeg anonieme, tamelijk naieve man van eergisteren. In de hoofdgroep oud en eenzaam, figuur uit andere tijden, bijna vergeten. Wat dat betreft, met Gorby als symbool, zou men ook kunnen zeggen dat het niet pas maar al vijftien jaar geleden is dat er een einde kwam aan de Duitse en de Europese deling.

Al of pas vijftien jaar geleden? Er is heel veel én heel weinig gebeurd. De globalisering heeft vaart gekregen, met het Angelsaksische model in het kompas en share holders value, marktwerking en consumentisme als verzen van een nieuw Hooglied. Met een verdergaande internationale herverdeling van productie- en arbeidsplaatsen als perspectief. En met nieuwe onzekerheden voor miljoenen `dure' werknemers in West-Europa als een angstig bijverschijnsel, vooral in landen die traditionele, in het verleden lang beproefde structuren moeilijk kunnen loslaten (zoals Frankrijk en in mindere mate ook Duitsland, lang samen de dynamische motor in de Europese Unie).

Met het verdwijnen van de Grote Vijand in het Oosten verdween ook een samenbindende factor voor de West-Europeanen, terwijl de band met de VS aan weerskanten van de Atlantische Oceaan erdoor enige vanzelfsprekendheid verloor. In zekere zin versterkt de strijd tegen het internationale terrorisme die band wel weer wat, maar ook op dat stuk is de toegenomen interne onzekerheid een schadepost. In de verdragen van Maastricht (1991), Amsterdam (1997) en Nice (2000) zijn de leden van de Europese Unie er niet, of niet voldoende, in geslaagd een goed antwoord te geven op de nieuwe vragen die vijftien jaar geleden zichtbaar werden. Met hun samenwerking op het gebied van defensie en buitenlands beleid bijvoorbeeld is het nog onverminderd tobben. Verdeeldheid over de Balkan eerst, over Irak later. In communiqués staan mooie zinnen, zoals over een Europese snelle-reactiemacht, maar in de concrete werkelijkheid zien we daar weinig van terug. Waardoor, ondanks kritiek op Washington, de feitelijke afhankelijkheid van de VS op dit terrein toeneemt.

Het is de EU tot nu toe wel gelukt om via toelating van vele Oost-Europese landen een prijs voor het einde van de Koude Oorlog te voldoen, maar niet om de snel gegroeide Unie qua inrichting en besluitvorming tijdig behoorlijk aan te passen. Anders gezegd: de verdieping moest voorafgaan aan de verbreding (uitbreiding), maar het omgekeerde is gebeurd, en dat gaat vermoedelijk na de uitslag van het Franse referendum nog even door. De kandidaat-leden Roemenië en Bulgarije zitten immers al in de wachtkamer.

Het `nee' van een meerderheid van de Franse bevolking, zondag, in het referendum over het Europees grondwettelijk verdrag is niet het eerste signaal dat het Europa moeilijk valt om aan veranderende toestanden te wennen. Maar het is wel een duidelijk signaal uit een land dat zich almaar kleiner en minder invloedrijk voelt worden in een almaar groeiend Europa. Een land dat zich door allerlei moderne Angelsaksisch-liberale marktontwikkelingen ook bedreigd voelt in zijn zelfgevoel.

Het Franse `nee' is ook een duidelijk signaal voor de buren, voorzover het – zoals Arie Elshout gisteren schreef in de Volkskrant – betekent dat na 29 mei 2005 niets in de Unie meer zo zal zijn als daarvoor. President Chirac heeft een zware persoonlijke afstraffing gekregen. Maar ook zijn opvolgers, en de gehele classe politique, moeten voortaan in en buiten Frankrijk anders omgaan met de Unie. Zij moeten thuis en in Brussel rekening houden met het nationale ressentiment jegens dat veranderende Europa dat eergisteren is gebleken.

Voor de Franse ambitie om een leidende politieke rol in de Unie te spelen, kan dat niet goed zijn, al zullen de neestemmers van zondag dat gevolg niet hebben (willen) voorzien.

Het is nu vooral aan de grote buurman Duitsland om veel tact in de omgang met Parijs te investeren. Dat wordt moeilijk, want de Duitsers hebben nog een paar andere dingen aan het hoofd. Zij zijn zelf hun Rückhalt ook een beetje kwijt en moeten voor hun (economische) herstel dingen doen, namelijk: zichzelf moderniseren, waartegen Fransen juist te hoop lopen.

Morgen dan het (raadplegende) referendum in Nederland. Als gevolg van een parlementair initiatief waarvoor geen meerderheid in de Tweede Kamer bestond, laat staan een meerderheid die het als bindend zou willen zien. Curiosum: die meerderheden kwamen er in enkele dagen toch, dankzij een bijzonder stuivertje wisselen van VVD en CDA rond een bijzonder advies van de Raad van State.

Er was medio 2003 een positief advies van de Raad van State gekomen, zij het dan pas nadat de auteur de tegenstribbelende meerderheid daar, met moeite van had overtuigd van de wenselijkheid om over iets als een grondwettelijk verdrag de kiezers rechtstreeks hun mening te vragen, temeer omdat het immers niet om een raadgevend maar slechts om een raadplegend, de wetgever niet verplichtend, referendum zou gaan.

Voor de VVD-fractie in de Tweede Kamer waren die twee laatste overwegingen begin februari 2005 reden om alsnog met het referendum in te stemmen, waardoor het initiatiefvoorstel alsnog een meerderheid kreeg. Toen dat eenmaal vaststond, liet de CDA-fractie weten nog steeds tegen referenda te zijn, maar de kiezer niet ,,voor de kat zijn staart'' te willen laten stemmen. Dus zou het de uitslag van het referendum op zekere voorwaarden (30 procent opkomst en 60 procent ja of nee) als bindend beschouwen. Daarmee voegde het CDA zich bij de initiatief-partijen (PvdA, GroenLinks en D66) die al hadden aangekondigd de uitslag te zullen volgen.

Zo was er in een paar dagen een parlementaire meerderheid ontstaan die het raadgevende referendum feitelijk een bindend karakter gaf, hoewel de Raad van State en de VVD nu juist in het niet-verplichtende karakter van zo'n referendum reden hadden gezien om akkoord te gaan met het houden ervan. Dat ene lid van de Raad van State zou overmorgen een mooie nabeschouwing kunnen plegen bij zijn advies van twee jaar geleden.