Kwetsbaar maar stabiel

De Britse economie groeit al jaren. Maar sinds kort na de verkiezingen in mei een stroom alarmerende berichten op gang kwam, lijkt de Britse economie een stuk kwetsbaarder.

Met een trotse glimlach op zijn lippen informeerde Gordon Brown, de Britse minister van Financiën, het Lagerhuis in maart dat het Verenigd Koninkrijk de langste periode van onafgebroken economische groei beleeft sinds 1701. Dertien jaar achtereen al groeit de Britse economie inmiddels, ieder kwartaal opnieuw.

Voor die fraaie prestatie, die overigens deels nog op het conto van het laatste Conservatieve bewind moet worden geschreven, beloonden de kiezers Labour begin mei met een derde regeringstermijn. Maar de stembussen waren nog niet geleegd of er kwam een stroom alarmerende berichten op gang. En plotseling oogde de Britse economie op allerlei fronten een stuk kwetsbaarder.

Het aantal faillissementen neemt snel toe en staat nu op een hoger niveau dan tijdens de laatste grote inzinking van de Britse economie in het begin van de jaren negentig. Niet alleen bedrijven gaan over de kop, ook het aantal persoonlijke faillissementen nam het afgelopen jaar toe met 25 procent. Dat laatste werd deels veroorzaakt door mensen die hun hypotheek niet meer konden aflossen door een hogere rentestand. Velen hebben hun hoge levensstandaard van de laatste jaren slechts kunnen volhouden dankzij grote leningen. Nu er enige tegenwind opsteekt, raken ze in moeilijkheden.

Verontrustend zijn ook de afnemende winkelomzetten, die duiden op een dalend vertrouwen van de consument in de economie. Het Britse Consortium voor Detailhandel maakte onlangs bekend dat de omzetten in april 1,3 procent lager waren uitgevallen dan een jaar eerder. Zo'n daling was sinds 1992 niet meer vertoond.

Zulke ogenschijnlijk geringe veranderingen hebben vaak ingrijpende gevolgen voor de rest van de economie. Sommige economen stellen de gretigheid waarmee Britse consumenten de afgelopen jaren hun portemonnee in winkels opentrokken, zelfs verantwoordelijk voor 80 procent van de economische groei waarmee de minister van Financiën zo graag goede sier maakt.

Ook de industriële productie vertoont een negatieve trend. Een paar weken geleden onthulde het Britse bureau voor de statistiek dat de productie in maart met 1,6 procent was gedaald vergeleken met de voorgaande maand. En dat was nog voor het laatste grote autoconcern in Britse handen, MG Rover, ten onder ging en telecombedrijf Marconi, een andere bekende naam uit het verleden, een groot deel van zijn productie en staf moest afstoten.

De huizenmarkt, vanouds eveneens een belangrijke indicator van de economie, is evenmin meer wat zij geweest is. Jaren achtereen stegen de huizenprijzen razendsnel. Vooral in Londen bereikten ze astronomische niveaus. In het eerste kwartaal van dit jaar bedroeg de stijging echter nog maar een schamele 0,3 procent, vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder. Vooral duurdere huizen staan nu vaak lange tijd te koop.

De regering hoopt deze belangrijke sector intussen nieuw leven in te blazen door een programma dat een miljoen Britten in staat moet stellen zelf ook huiseigenaar te worden. Daarmee zou dan 75 procent van de volwassenen een eigen huis bezitten, een veel hoger percentage dan elders in Europa. Vooral de afgelopen jaren was het voor minder gefortuneerde nieuwelingen door de hoge prijzen bijna niet meer mogelijk voor het eerst een woning te kopen. Met subsidies hoopt Brown dergelijke kopers een nieuwe impuls te geven, en daarmee de woningbouwsector als geheel.

Een probleem is echter dat zo'n programma ook moet worden gefinancierd, terwijl de regering toch al weinig speelruimte heeft. Brown heeft de belastinginkomsten naar het oordeel van de meeste deskundigen al aan de optimistische kant begroot. Het begrotingstekort bedroeg het afgelopen jaar al bijna 3 procent. Bij een tegenvallende economie en tegenvallende belastingopbrengsten zou dat gat snel groter kunnen worden.

Naar de smaak van veel liberale economen is het aandeel van de overheid in de economie onder Labour de laatste jaren al te veel toegenomen, mede door ambitieuze programma's voor investeringen in onderwijs en gezondheidszorg. Een nog groter beslag door de overheid op de beschikbare fondsen kan een verstikkend effect hebben op het bedrijfsleven, zo vrezen zij.

Stevent Groot-Brittannië dan wellicht af op stagnatie of zelfs op een recessie? Zo ver is het nog lang niet. De Britse economie verkeert nog altijd in veel betere vorm dan die van bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland. Het werkloosheidspercentage (in Groot-Brittannië slechts 4,8 procent van de beroepsbevolking) is twee keer zo laag als in de eerder genoemde landen, ook door zijn flexibele arbeidswetgeving.

De inflatie is iets opgelopen, tot 1,9 procent, maar lijkt toch onder controle. Brown rekent dit jaar nog altijd op een economische groei van boven de 3 procent. Bijna niemand deelt die opvatting, maar ook minder optimistische schattingen komen toch zonder uitzondering nog op een groei van boven de 2 procent uit.

Een voordeel voor de Britten is ook dat ze – anders dan de landen in de eurozone – zelf de instrumenten in handen hebben om de groei wat te stimuleren of te temperen. De Bank of England, die van Brown in 1997 het beheer over het pond sterling in handen kreeg, kan de rentestand laten dalen of stijgen, afhankelijk van de noodzaak van het moment.

De afgelopen jaren heeft ze dat vakkundig gedaan. Het is dan ook heel wel mogelijk dat de Britse economie de huidige problemen zonder veel moeite weer te boven komt, ook al lijken de vetste jaren van het Labour-bewind voorlopig echt voorbij.