Ja-campagne werd dubbele nee-campagne

De tegenstanders van de Europese Grondwet in Nederland begonnen hun campagne het eerst. Dat dwong het ja-kamp tot een defensieve en daarmee negatieve campagne.

Voor het referendum van morgen zijn de afgelopen maanden twee tegen-campagnes gevoerd. Eén tegen de Europese Grondwet en één tegen die eerste tegen-campagne.

Het kabinet voerde de strijd `tegen-het-tegen' aan. Minister Donner (Justitie, CDA) koppelde een oorlogsdreiging aan een nee, zijn partijgenoot Bot (Buitenlandse Zaken) voorspelde een ,,economische dip''. Minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66) meende dat in Nederland bij een nee ,,het licht uitgaat''. Ook kan het land zich dan opmaken voor een stroom asielzoekers, wist minister Verdonk (Vreemdelingenzaken, VVD). En premier Balkenende bracht afwijzing van de Grondwet in verband met Auschwitz en voorzag imagoschade voor Nederland. Een campagne `voor-het-voor' leek minder aan het kabinet besteed.

Balkenende kon de ja-campagne vroeg genoeg beginnen om de voordelen van de Grondwet bij de kiezers in te prenten. Vier maanden voor het referendum zei de premier echter tot zijn ambassadeurs, in Den Haag voor hun jaarlijkse samenkomst: ,,Welk perspectief bieden de tegenstanders van de Grondwet ons eigenlijk? Hun weg leidt naar vruchteloze stagnatie, fixatie op eigen belangen, en gebrek aan daadkracht bij het gezamenlijk aanpakken van de problemen die mensen raken.''

Kennelijk had het nee-kamp eind januari al zijn punt gemaakt. En kennelijk was dit zo krachtig dat de premier zich gedwongen zag zijn ja-campagne vanuit het defensief te voeren. Die aanpak hanteerde het ja-kamp tot het einde: niet zeggen hoe Nederland er met een ja op vooruit gaat, maar hoe beroerd het land er na een nee voor zal staan. Daarmee bepaalden de argumenten van de tegenpartij de campagne van de voorstanders.

Die argumenten zijn ,,oneigenlijk'' en hebben ,,allemaal geen fluit met de Grondwet te maken'', aldus de `trekker' van het ja-kamp, staatssecretaris voor Europese Zaken Atzo Nicolaï. Hij taxeerde toen – de kabinetspeilingen wezen nog op ja – zijn tegenstanders als ,,niet bij voorbaat kansloos''. Drie à vier weken voor het referendum zou de ja-campagne écht van start gaan, zo liet Bot half april weten.

Het late begin is begrijpelijk voor wie louter naar politieke verhoudingen kijkt in getalsmatige zin. De voorstanders van de Grondwet zitten in kabinet, coalitie én oppositie, en ze hebben een grote meerderheid in de Tweede Kamer. Maar in het grote aantal debatten over de Grondwet dat de media organiseerden, kregen de kleine partijen die het nee-kamp vormen evenveel spreektijd.

Een andere verklaring voor de late en daarmee defensieve campagne voor het ja is dat de Eerste Kamer pas op 25 januari instemde met een referendum. De tegenstanders van de Grondwet hadden een maand eerder al een vanzelfsprekende start met het Kamerdebat over toetreding van Turkije tot de EU. Daarin maakte het van de VVD afgescheiden Tweede-Kamerlid Wilders duidelijk dat hij een nee-campagne tegen de Grondwet zou voeren om zo tegen de toetreding van Turkije te strijden.

Het nee-kamp was weliswaar van uiteenlopende snit – uiterst rechts, uiterst links en uiterst christelijk – maar het heeft, zonder dat vooraf af te spreken, campagne gevoerd rond één centraal tegenargument. [Vervolg

:pagina ]

Voorstanders schetsten zwarte toekomst

REFERENDUM

Dat argument is: met deze Grondwet wordt Europa een superstaat waarin de Nederlandse burger niets meer te zeggen heeft. Sterker, hem is nooit wat gevraagd. De nee-stemmers van de SP voerden campagne met een Europese kaart waarop Nederland is weggevaagd. Wilders trok het land door met de leus `Nederland moet blijven'. Intussen hield de ChristenUnie het schrikbeeld van de Verenigde Staten van Europa voor.

De campagne van het ja-kamp is moeilijker onder één noemer te brengen. Of toch: stem geen nee. ,,Wie de toekomst op het spel wil zetten, moet vooral tegenstemmen in het referendum'', stelde minister Donner half april op een partijbijeenkomst in Ede. Hij achtte in geval van een nee een herhaling mogelijk van het scenario dat Joegoslavië in een oorlog stortte. Meteen distantieerde zijn partijgenoot minister Bot zich van Donner en zei meer te voelen voor een ,,positieve benadering''. Bot, een maand later in het Financieele Dagblad: ,,Als Nederland nee zegt, krijgen we een economische dip. Het vertrouwen in het Nederlandse vestigingsklimaat wordt onzeker.''

Ook Balkenende bleef zich op het nee richten. ,,De tegenstanders zijn negatief en naïef'', zei hij eind april in een interview met NRC Handelsblad. Nog zwarter maakte de premier het perspectief door in het gesprek over de Grondwet over zijn bezoeken aan Auschwitz en Yad Vashem te beginnen. ,,Je hebt elkaar in Europa echt nodig om zulke dingen te voorkomen. Daar mag best meer aandacht voor zijn.'' Balkenende meende ook dat nee-zeggen ,,mediatechnisch gezien'' interessanter is dan ja-zeggen, want dat is een ander geluid. ,,Dat wordt dus sneller opgepikt.''

Twee dagen later gaf directeur Brouwer van De Nederlandsche Bank daarvan onbedoeld een illustratie in een naar later bleek voor het ja-kamp rampzalig interview in Het Parool. Niet dat zijn opmerking nieuw was dat de gulden, toen die op 1 januari 1999 opging in de euro, ,,5 à 10 procent'' ondergewaardeerd was ten opzichte van de Duitse mark. Dit gegeven was al jaren bekend, maar het nee-kamp had maar drie woorden nodig – gulden te goedkoop – om de onvrede over de euro-introductie van een geautoriseerde bevestiging te voorzien. ,,De directeur heeft het zelf gezegd'', zei de Amsterdamse slager Frans Louman in deze krant, ,,ze hebben de gulden verkwanseld. Iedereen vermoedde het al, maar nu komt de aap uit de mouw.'' De slager ging van een stem vóór naar een stem tegen.

Ook Brinkhorst baarde opzien met zijn waarschuwingen bij nee. ,,Op den duur gaat in Nederland dan het licht uit en dan zetten we ons land op slot'', zei hij op 10 mei in De Telegraaf. Negen dagen later bij een debat met tegenstanders: ,,Als Nederland nee stemt, worden we een soort Zwitserland van Europa.'' Weer een dag later kwam het werkgeversblad Forum met een interview met Brinkhorst die bij nader inzien het referendum ,,een slecht idee'' vond, althans ,,over dit onderwerp''. ,,We houden nu een referendum over een zaak waar de bevolking niets over weet.''

Op die opmerking volgde een advies van Bot op 24 mei aan alle kiezers die niets van de Grondwet weten: stem niet. Het advies gold ook voor wie op oneigenlijke gronden – tegen euro, Turkije of Balkenende II – tegen wilde stemmen. Het nee-kamp reageerde fel en stelde dat niemand de motieven van kiezers de maat mag nemen. De minister van Buitenlandse Zaken had volgens hen het dieptepunt van de tegen-het-tegencampagne bereikt.