Vijfwerf `igen'

Alle correspondenten spraken voor de website van de krant een videocolumn in over het leven in `hun' buitenland. Vandaag Boedapest.

Wie smacht naar een vluchtige vakantieliefde kan Boedapest beter overslaan. De Hongaarse hoofdstad geeft zich niet zo maar prijs. Liefde, humor, ruzie? Je vindt het pas na lang zoeken, op duistere binnenplaatsen, in kelderkroegen en op verlaten eilandjes in de Donau die de metropool opsplitst in Boeda en Pest.

Uiterlijk vertoont Boedapest alle schijn van een wervelende, transparante West-Europese stad. Maar de Boedapester zelf is introvert, mysterieus en onnavolgbaar. Hij is eerder Oosters ingesteld, hetgeen zich uit in de beleefdheidscultus.

,,Szia, szervus, jó napot kivánok, csókolom'', luidt de meervoudige begroeting. En voor wie dat nog niet genoeg is, sluit het ritueel af met een handkus en een lichte buiging.

Oosters is de Hongaar ook in zijn onwil om het soms toch hoogst noodzakelijke woord `nee' te gebruiken. In eerste instantie zegt de Hongaar op alles `ja', ofwel: `igen'. Eén keer is niet genoeg. `Igen igen igen igen igen' – pas dán is het goed.

Maar na een paar jaar onder de Hongaren boet het vijfwerf `igen' vanzelf in aan overtuigingskracht. ,,Igen igen igen igen igen , zei de garagist die me beloofde mijn antieke Mercedes Benz-Strich 8 binnen een paar weken op te knappen. Tien maanden later was de klus geklaard.

Een ander hopeloos projekt bleek de renovatie van de elektriciteit in mijn huis in de Boeda-heuvels. Twee volwassen elektriciens werkten een dag lang aan snoeren en stopcontacten.

,,Alles weer in orde?'' informeerde ik rond borreltijd.

,,Igen igen igen igen igen'', antwoordden de heren in koor, terwijl ze een afwachtende houding aannamen. Dat is in Hongarije hét moment waarop je een stevige pruimenbrandewijn behoort te serveren.

Een kwartier en een paar borrels later namen de elektriciens in benevelde toestand afscheid, waarna ik me op de kantoorverdieping installeerde. Computer aan. Dat ging nog goed. Lampje erbij. En toen ging het helemaal fout. Met een knetterende twintigklapper kwam er een einde aan alle elektronica in huis. In totale duisternis en eenzame verbijstering sloot ik die dag af.

De volgende morgen werd er druk onderhandeld met de twee prutsers. Die smeekten me om toch vooral níet hun baas op de hoogte te brengen van het drama, hetgeen zeker zou leiden tot hun ontslag. Ten einde raad stemde ik in met hun plan dat bestond uit het optrommelen van een zekere Béla.

,,Die kan alles'', verzekerde het duo me.

Twee donkere dagen later reden de heren voor, ditmaal in het gezelschap van de beloofde Béla. Een morsig type. Bijziend en bejaard. Was dit het genie dat ons verlossing zou brengen?

Stilzwijgend ging Béla te werk, trok driftig alle draden weer uit muren, gooide het elektrische systeem volledig om, en stapelde tot slot al mijn kapotte elektronica – van broodrooster tot en met computer – op de achterbank van de wagen.

Een week later stond het drietal weer op de stoep. Béla had alles gemaakt en de elektriciteit in huis had het nog niet begeven. De prutsers betaalden uit eigen zak Béla, waarna het gezelschap die typische, afwachtende houding aannam.

,,Brandewijntje?'' vroeg ik beleefd.

,,Igen igen igen igen igen.''