Na het Franse `nee'

Het Franse `nee' tegen de Grondwet voor Europa stort Frankrijk en de Europese Unie in een crisis. Voor de politiek in Frankrijk kan de stembusuitspraak grote gevolgen hebben, niet in de laatste plaats voor president Jacques Chirac. Hij pleitte vurig voor `ja' en het was zíjn idee over de Grondwet een referendum te houden. Hij is nu geconfronteerd met een volksmening die diametraal tegenover de zijne staat. En hij niet alleen: een groot deel van de politieke elite is teruggeroepen. Hun Europese vergezichten zijn niet begrepen of niet gewaardeerd. Een ja-stem werd de burger opgedrongen, leek het wel; iets dat ook in Nederland speelt. Kiezersintimidatie werkt altijd contraproductief. Vijfenvijftig procent van de Fransen ervaart Europese samenwerking en eenwording kennelijk eerder als een bedreiging dan als een verworvenheid. Het doet er niet toe dat de feiten anders zijn. In de beleving van velen betekent marktliberalisering banenverlies en afbraak van de verzorgingsstaat. Het gaat hun te hard: de komst van de euro, de uitbreiding, de kwestie-Turkije en de conflicten die de Europese geloofwaardigheid ondergraven, van het geschonden Stabiliteitspact tot het gedoe over de Bolkestein-richtlijn. In de voortdenderende Europa-expres hebben verontruste passagiers aan de noodrem getrokken. Hun actie ontnuchtert. Het is niet het einde der tijden – de trein kan weer op gang komen – maar de Franse uitspraak markeert wel het begin van een nieuwe en onzekere periode.

Door het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is met het Franse `nee' een streep gezet. De afspraak is dat het niet in werking treedt als een van de 25 EU-lidstaten zich ertegen uitspreekt. Op een enkel `nee' van een kleinere lidstaat, bijvoorbeeld Nederland, zou de EU nog wel een pragmatisch antwoord hebben: de nee-zegger isoleren en doorgaan met de eenwording. Maar het is ondenkbaar en overigens ongewenst dat de Unie zich op deze wijze opstelt. Frankrijk is te groot om zich te laten isoleren. Het land van Robert Schuman, de Franse minister van Buitenlandse Zaken die deze maand precies 55 jaar geleden opriep tot Europese samenwerking in de kolen- en staalindustrie, is een van de belangrijkste EU-lidstaten en is onontbeerlijk voor de integratie.

Op papier kan Europa best verder met het Verdrag van Nice, en in de praktijk zit er weinig anders op. Maar zo'n scenario voorziet niet in de factor politieke onberekenbaarheid. Op de loer ligt een `eurodepressie' die bij mismanagement lang kan duren en zelfs fout kan aflopen. De samenhang en de kracht van Europa – ook op het gebied dat aantoonbaar de meeste vooruitgang bracht: de economie – kunnen ernstig worden ondermijnd door politieke stagnatie. Dan zal zich snel het gebrek aan beter opdringen. Het is niet iets dat nee-zeggers graag doen, maar de vraag moet wel worden gesteld: is er een aantrekkelijk alternatief voor Europese samenwerking? De geschiedenis van meer conflicten en minder welvaart toont aan dat dit tot nu toe niet het geval is geweest.

Nederland is woensdag aan de beurt. Het Franse `nee' maakt de stembusgang hier niet overbodig, al is de betekenis ervan minder groot geworden. Intussen zal Europa op een of andere manier verder moeten. De eerste test is over krap drie weken, als de Europese regeringsleiders elkaar ontmoeten. Per 1 juli is het woord aan de nieuwe voorzitter van de EU, Groot-Brittannië. Dat biedt kansen. De Britten kunnen als erkende Europese nee-zeggers de nuchterheid laten prevaleren en met een sobere aanpak een nieuwe start proberen te maken.