Guatemala graaft in zwart verleden

In Guatemala wordt langzaam vooruitgang geboekt met het opgraven en identificeren van de slachtoffers van de burgeroorlog. De Waarheidscommissie schat dat er 600 massagraven zijn.

In Guatemala wordt vordering gemaakt met het opgraven van de slachtoffers van de burgeroorlog (1960- 1992). Ruim acht jaar na het einde van de oorlog zijn inmiddels bijna 400 massagraven geopend, en bijna 3.000 slachtoffers opgegraven. De afgelopen maanden werden op drie locaties vijftig lichamen ontdekt.

Met name in de provincies Chimaltenango, Quiché, Alta Verapáz en Baja Verapáz, die begin jaren tachtig zwaar werden getroffen door de tactiek van verschroeide aarde, waarbij het leger tussen de 400 en 600 dorpen vernietigde, worden lichamen gevonden. Volgens de Waarheidscommissie, daarin gesteund door de Verenigde Naties, moeten er meer dan 600 onbekende begraafplaatsen zijn. Sommige organisaties schatten het aantal op ruim 700. Naar schatting 240.000 mensen, vooral Maya-indianen die verdacht werden van steun aan marxistische guerrillagroepen, werden tijdens de burgeroorlog gedood. In 1999 is vastgesteld dat het leger verantwoordelijk was voor 90 procent van de moorden en verdwijningen tijdens de burgeroorlog.

Bij zijn aantreden in 2004 beloofde president Óscar Berger een prioriteit te maken van het opgraven van de honderden massagraven, het identificeren van de lichamen en het herbegraven van de skeletten. Vooral voor Maya-indianen, voor wie de doden belangrijke raadgevers zijn die waken over het welzijn van hun nabestaanden, is het van belang dat de lichamen worden herbegraven. Het meeste werk wordt verricht door het forensisch antropologisch instituut (Fundación de Antropología Forense de Guatemala).

Tom Koenigs, speciaal VN-gezant voor Guatemala en hoofd van de VN-missie Minugua, noemde bij het einde van de missie vorig jaar de opgravingen ,,een kleine stap richting democratie''. In een opinieartikel in de Miami Herald schreef hij: ,,Tijdens de vele bezoeken aan de killing fields in Comalapa [waar 180 mannen, vrouwen en kinderen begraven lagen, red.] voelde ik zowel walging als hoop. Om in een graf te staren en skeletten te zien met de touwen nog om hun nek gebonden, betekende een kille herinnering aan Guatemala's gewelddadige verleden. (..) Maar nog geen paar jaar geleden zou het ondenkbaar zijn dat mensenrechtenactivisten de donkere geheimen van het leger op deze manier opgroeven.''

Mensenrechtenorganisaties zien echter met lede ogen aan hoe de daders van de massamoorden worden beschermd. Van de 626 massamoorden die door de Waarheidscommissie zijn gedocumenteerd, is slechts één met succes voor de rechter gebracht. Vorig jaar werden 14 militairen schuldig bevonden aan de moord in 1995 op elf indianen in Xamán. Andere processen strandden. Zo werden 17 militairen, lid van de gevreesde Kaibil-eenheid die verdacht worden van het met een hamer doodslaan van 300 Maya-indianen, begin dit jaar vrijgesproken. Het Guatemalteekse Hooggerechtshof verklaarde dat het verplicht was ,,alle acties teniet te doen'' die na het aannemen van de amnestiewet in 1996 zijn genomen.

Ook waarschuwen organisaties dat forensisch antropologen nog steeds met de dood worden bedreigd en worden geïntimideerd door gewapende groepen die in opdracht van de voormalige machthebbers werken. Uit angst hiervoor durfden familieleden van de slachtoffers lange tijd ook niet de massagraven aan te wijzen, noch te bezoeken.