Europese Unie heeft zich overschreeuwd

Het `oude' Europa bestaat echt. Helaas. Want het Franse `nee' helpt ons niet nu wij moeten opboksen tegen de ware erfgenamen van de kapitalistische revolutie in Azië, meent Frits Bolkestein.

Nu het grondwetsverdrag is getorpedeerd, wordt het tijd om nog eens goed te bezien wat de Europese Unie is, wat ze wel en niet kan en welke kant ze op zou moeten gaan.

Veel mensen zijn teleurgesteld in de Europese Unie. Dat komt doordat de Unie zichzelf heeft overschreeuwd. Ze is niet het antwoord op al hun problemen, en kan dat ook niet zijn. Gewone mensen maken zich ongerust over de criminaliteit op straat, de overlast van drugs, hun netto-inkomen, de zorg in ziekenhuizen en het onderwijsniveau. Deze kwesties worden in eigen land beslist, niet in Brussel – en zo hoort het ook. De Europese Unie kan daaraan zeer weinig doen en politici die zeggen van wel, graven een kuil voor de Unie en voor zichzelf.

Voor sommigen zijn dit misschien kleinigheden. Maar het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid en het Regionaal Fonds zijn dit beslist niet. Beide zijn dringend aan hervormingen toe.

Waarom zouden Duitse burgers moeten betalen voor het onderhoud van het landschap in Frankrijk? Waarom denken de ambtenaren in Brussel dat ze beter over het Franse regionale beleid kunnen oordelen dan hun collega's in Parijs?

Alle onderdelen van deze programma's die niet wezenlijk zijn, zouden terug moeten naar de lidstaten. Dat zou ook helpen de EU-begroting te besnoeien.

De Europese Unie is een groep landen die besloten heeft bepaalde taken op een federale manier uit te voeren. Voorbeelden zijn het handels- en mededingingsbeleid. Federale instellingen zijn het Europees Parlement, het Europese Hof van Justitie en (voor twaalf van de 25 lidstaten) de Europese Centrale Bank.

Maar de Europese Unie zal nooit een federatie worden met één federale regering, één federaal leger en één internationaal gezicht. De reden is dat de lidstaten dit niet willen – Groot-Brittannië niet, maar ook Frankrijk niet. Ook de Duitsers willen dit niet, ook al sprak hun minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer enkele jaren geleden van een `federatie van nationale staten'. Die gedachte is een contradictio in terminis. Daarmee onderschatte Fischer zijn publiek. Het is een voorbeeld van het Eurotaaltje waarvan ook andere politici zich helaas om het hardst bedienen.

De filosoof en historicus Isaiah Berlin gebruikte het beeld van de gebogen twijg die waarschijnlijk met kracht terug zou slaan. Zo zou het riskant kunnen zijn om voor een federaal Europa te ijveren, omdat de Europese Unie uiteindelijk bij wijze van reactie wel eens uiteen zou kunnen vallen. Misschien is dat wel wat we op dit moment zien.

Het spreekt vanzelf dat de Europese Unie voor iedereen die in Europa woont van immense waarde is. Het debat over de weg die de Unie dient te volgen is dan ook van groot belang. Ze zou zich moeten beperken tot haar kernactiviteiten. Dat zijn er drie: vereenvoudiging van het economische verkeer tussen de lidstaten; oplossing van gemeenschappelijke problemen; en benutting van de voordelen van schaalvergroting.

Deze activiteiten mogen niet ten koste gaan van het subsidiariteitsbeginsel, dat wil zeggen dat de Unie niets moet ondernemen wat de lidstaten even goed (of beter) zelf kunnen doen. Dit beginsel is meer in theorie dan in de praktijk geëerbiedigd.

Er zijn voorstellen over energie-zuinige gebouwen; de te hoge schuldenlast van consumenten; ongelukken in huis; het vetgehalte van voedsel; seksuele intimidatie (waarbij – o gruwel! – de bewijslast is omgekeerd); en werktijden.

Het probleem is dat instellingen geneigd zijn altijd meer te willen. Het Europees Parlement wil dat de EU alles doet. De Europese Commissie vertoont het normale ambtelijke instinct: meer taken betekent meer banen, meer geld en alles wat daarmee gepaard gaat. En vaak probeert een lid van de Raad van Ministers om via Brussel te bereiken wat hij thuis niet gedaan kan krijgen. Veel politici verwarren activiteit met actie.

De denkfout die hardnekkig wordt gemaakt is dat een zaak omdát ze de moeite waard is, door Brussel moet worden gedaan. Dat is niet per se zo. Maar dit is de overheersende gedachtegang, die onvermijdelijk tot grote ergernis heeft geleid.

De stemming onder de kiezers heeft ook het economische tij niet mee. Italië, Duitsland en Frankrijk hebben het op het ogenblik niet gemakkelijk.

Italië verliest elk jaar aan concurrentievermogen. In het verleden kon het dit verlies nog compenseren door van tijd tot tijd zijn munt te devalueren. Maar devaluaties uit concurrentie-overwegingen zijn inmiddels uitgesloten. Het land staat daarom voor de noodzaak aanpassingen in de echte economie uit te voeren, en die zijn pijnlijk.

Antonio Fazio, president van de Italiaanse centrale bank, die – hoe is mogelijk – voor het leven is benoemd, beschermt banken tegen buitenlandse overnames. De Italiaanse bankwereld is een van het meest versnipperde in Europa. De dienstverlening aan het kleinbedrijf is 20 à 30 procent duurder dan in Nederland.

De Duitse kanselier verijdelde een paar jaar geleden een richtlijn ter vergemakkelijking van grensoverschrijdende bedrijfsovernames door de aandeelhouders de grootste zeggenschap te geven. De kanselier beschouwt bedrijven als kastelen die tegen iedereen moeten worden verdedigd, waarbij hij vergeet dat de belangen van aandeelhouders en directie vaak uiteenlopen.

Hij zegt hij een Europees industriebeleid wil, maar zaagt de belangrijkste poot daarvan af. Daarmee betoont hij zich een ware corporatist, een vertegenwoordiger van het ouderwetse economische denken.

De kanselier heeft ingestemd met de dienstenrichtlijn (evenals Wolfgang Clement, de minister van Economie en Sociale Zaken), maar wijst die nu weer af. Hiermee sluit hij zich aan bij de Franse president Jacques Chirac.

De dienstenrichtlijn bestrijkt de helft van de Europese economieën. Een interne markt voor diensten belooft miljoenen banen op te leveren. De richtlijn schept geen enkel recht dat al niet bestaat. De vrijheid om in heel Europa diensten aan te bieden is een van de basisvrijheden in het Verdrag van Rome. Maar deze vrijheid wordt gedwarsboomd door allerlei onbenullige en lastige ambtelijke obstakels. De richtlijn is dan ook bedoeld om deze uit de weg te ruimen.

De Fransen zijn bang voor `sociale dumping'. Maar voor wie geldt de richtlijn? Niet voor employees. Daarom vallen buitenlandse werknemers van Franse bedrijven er niet onder. Zij zijn geen dienstverleners.

Bovendien moet iedere vestiging in een andere lidstaat zich houden aan de nationale wetgeving en de collectieve arbeidsovereenkomsten. Hetzelfde geldt voor gedetacheerde werknemers.

Dan zijn er nog de kleine zelfstandigen en de beoefenaars van vrije beroepen. Maar er komt Frankrijk heus geen vloedgolf van Poolse loodgieters. Hoevelen van hen spreken Frans? En er komt geen sociale dumping. Martin Schultz, de fractieleider van de Europese Socialistische Partij in het Europese Parlement in Straatsburg, heeft gezegd dat als de dienstenrichtlijn ongewijzigd wordt aangenomen, het Europese sociale model ten onder zal gaan. Hoe sociaal is een economisch model dat twaalf procent werkloosheid oplevert, zoals in Duitsland, of tien procent, zoals in Frankrijk?

President Jacques Chirac maakt graag smalende opmerkingen. Hij heeft de Oost-Europese nieuwkomers gezegd dat ze niet moesten zeuren over Irak. Hij heeft zich kleinerend uitgelaten over de Britse banengroei. De Franse werklozen hebben toch zeker liever kleine banen dan helemaal geen banen! Ooit had de EU baat bij de as Bonn-Parijs: Helmut Schmidt en Giscard d'Estaing, François Mitterrand en Helmut Kohl. Het huidige duo – Schröder en Chirac – is een obstakel. Franz Müntefering, de leider van de Duitse Sociaal-Democratische Partij, presenteert zich nu, in de hoop de gunst van de kiezers te winnen, als antikapitalist. Hij noemt de internationale investeerders ,,sprinkhanen''. Duitsland heeft buitenlandse investeerders nodig. Probeert hij hen te stimuleren? Laat hij artikel 56 van het Verdrag van Rome over de vrijheid van kapitaalstromen nog eens lezen. En zijn boodschap heeft hem niet eens geholpen in Noordrijn-Westfalen.

De tijden veranderen. De ware erfgenamen van de kapitalistische revolutie zitten nu in Azië. Tegen hen moeten wij opboksen. Corporatisme is het antwoord niet. Nationalisme is het antwoord niet. Protectionisme is het antwoord niet.

Het enige wat wij kunnen doen is onze concurrentiepositie verbeteren door concurrenten toe te laten en de markten flexibeler te maken.Zullen de regeringen van Italië, Duitsland en Frankrijk daarvoor kiezen? Waarschijnlijk niet. Het `Oude Europa' bestaat echt; het klampt zich wanhopig vast aan achterhaalde economische opvattingen.

Daarom moet de Europese Commissie de alarmklok luiden, want zij kan het mislukken van de grondwetverdrag niet afdoen als zomaar een incident. Haar voorzitter, Barroso, moet helder, onbevreesd en vastberaden optreden. Hij moet met meesterhand de activiteiten van de Commissie inperken. Hij moet de lidstaten de weg wijzen. En hij moet dat nú doen.

Frits Bolkestein is oud-Eurocommissaris voor de interne markt.