Wonen in de vloed en op oude beddingen

In het denken van Simon Stevin, Nederlandse ingenieur uit de Renaissance, was de ideale stad een simpele stad: een rechthoek van kaarsrechte straten doorsneden door kaarsrechte grachten, met bastions rondom en in het midden de beurs, de beestenmarkt, het vorstenhuis, en vier kerken. Net Manhattan, denk je onwillekeurig. Maar óók net verre oorden als Batavia en Sint Petersburg, blijkt uit de maquettes op `Nieuwe Hollandse Waterstad', de hoofdtentoonstelling van de tweede architectuurbiënnale in Rotterdam die dit jaar de titel kreeg `De Zondvloed'.

Bouwen in, op en aan het water: geen Hollandser thema is er denkbaar. Met `Hollands' wordt maar al te vaak `provinciaal' bedoeld, maar hier niets daarvan. Landschapsarchitect Adriaan Geuze, oprichter van het bureau West 8 en curator van deze biënnale, geeft met `De Zondvloed' diepte, breedte en context aan dit voor Nederland uiterst relevante en actuele thema. Het programma bevat naast boeken, lezingen, symposia en masterclasses, vijf tentoonstellingen. In Las Palmas zijn de tentoonstellingen `Nieuwe Hollandse Waterstad' en `Mare Nostrum', over de invloed van het massatoerisme op de kusten van zeventien landen, van de Oekraïne tot Kroatië en van Mexico tot Libanon.

In het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) legt de expositie `Three Bays' de ontwikkeling van de watersteden Amsterdam, Tokio en Venetië naast elkaar en laat `Flow' een aantal verbeeldingsrijke plannen zien van jonge bureau's voor uiteenlopende watermilieu's als de kust voor Los Angeles, de mestvaalt Fresh Kills bij New York, de Haarlemmermeer en het Westland. Het NAi heeft voor de biënnale zelf ook een tentoonstelling georganiseerd over die op en top Hollandse uitvinding, de polder.

Stevins ideale stad uit 1649 is er nooit gekomen: de meeste steden in Nederland waren immers al gebouwd. Wel had Nederland al rijke ervaring met het bouwen van van watersteden: soms waren dat handelssteden met kades en pakhuizen voor het uitwisselen van goederen, soms waren het militaire steden die het water als verdedigingslinie gebruikten. In twee reusachtige zalen voert de expositie je langs chronologische en thematisch lijnen voorbij ruim honderd maquettes.

Sommige laten in intiem detail één object zien, zoals de Waterpoort van Sneek, of een wijk, zoals de binnenstad van Lissabon; andere doen een grote greep, zoals die van veertig mijl lange strook van Chicago aan de oever van Lake Michigan. Een enkele getuigt van hobbyistische toewijding, zoals de diorama in een glazen kist van Scheveningen in 1912, andere van utopische visoenen uit de jaren zestig zoals de Plug-in City van Archigram en New Babylon van Constant Nieuwenhuis.

,,In Nederland zijn de laatste eeuw heel wat steden en stadsuitbreidingen gebouwd'', zegt curator Adriaan Geuze in een interview in de catalogus. ,,Hun planning stond meestal in relatie met de infrasructuur van snelwegen en treinverbindingen, terwijl je vanuit de watertraditie toch zou verwachten dat Nederland nog steeds zou profiteren van de rivieren, de kust, de getijdebekkens en de meren. Juist daar zou je mooie steden kunnen maken, maar dat gebeurt nauwelijks.''

Hoe de geschiedenis als inspiratie kan dienen – en hoe we de wateragenda slim kunnen combineren met investeringen in de stad – is in de laatste, en spannendste, zaal te zien. Poëtische, bevlogen en heel concrete ideeën over een andere, ontspannener omgang met het water zijn in de laatste, en spannendste zaal te zien in twaalf ontwerpen (waarvan twee van West 8 zelf). Drie diensten van de gemeente Rotterdam hebben samen met twee waterschappen gewerkt aan Waterstad 2035, met daarin nieuwe woningbouwlocaties en vervoer over water. Studenten aan de Amsterdamse Academie van Bouwkunst hebben funeraire plekken aan het water bedacht, bijvoorbeeld een afscheidssteiger aan het IJ. West 8 heeft samen met de Amerikaan Greg Lynn – die aan het Berlage Institute dezer dagen een masterclass in het ontwerpen van flood resistant housing – een ontwerp gemaakt waarbij de vloedvlakte van de IJssel bij Deventer enorm wordt verbreed en er vloedbestendige huizen worden gebouwd.

Het betoog van deze tentoonstelling is helemaal rond als je kijkt naar de prachtige maquette van de Fransman Michel Desvigne voor de Biesbosch: hij graaft de oude kreekbeddingen weer uit en bouwt op de stroomruggen een netwerk van platforms om op te wonen. Zo lijkt de toekomst sprekend op het verleden, toen de enige bewoonbare plek in de delta de stroomruggen waren.

In de nieuwste Cultuurnota van het rijk is de Rotterdamse architectuurbiënnale al na deze tweede aflevering geschrapt. Dat zou erg kortzichtig zijn. Zo'n evenement dat zich juist buiten de gevestigde kaders om voltrekt, dat eens in de twee jaar allerlei partners uit kunstwereld, overheid en zakenleven bij elkaar brengt, en tegelijk actuele thema's kan aansnijden, moet juist de kans krijgen zich te ontwikkelen. Deze biënnale is al veel samenhangender dan de eerste. Wel moeten de gevestigde kunstinstellingen in Rotterdam er óók wat voor doen, met name door accommodatie te bieden. Dit jaar moest de biënnale een flink deel van het budget stoppen in het opwaarderen van het ruige betonnen karkas van Las Palmas tot een geclimatiseerde, lekvrije, haast museale ruimte. Dan zal blijken dat deze zondvloed geen einde is, maar van de biënnale nog maar het begin.

Architectuurbiënnale Rotterdam. Tentoonstelling: Nieuwe Hollandse Waterstad, t/m 26 juni in Las Palmas, Wilhelminakade 66-68, Rotterdam, di-za 11-20u. Catalogus €14,50. Info: www.biennalerotterdam.nl.