Uitholling verdrag tegen verspreiding kernwapens

Het 35 jaar oude verdrag tegen de verspreiding van kernwapens heeft nieuwe averij opgelopen. De toetsingsconferentie in New York bleef zonder resultaat.

De toetsingsconferentie van het verdrag tegen verspreiding van kernwapens (NPV) is in een mislukking geëindigd. De vertegenwoordigers van de 188 deelnemende staten slaagden er niet in een slotverklaring op te stellen die door iedereen werd onderschreven.

Voor een groot deel wordt de ongunstige afloop toegeschreven aan het verzet van Iran om expliciet als het zwarte schaap van de NPV-familie te worden afgebeeld. Daarnaast weigerde de VS te worden aangsproken op het trage tempo waarin het land zijn kernwapens ontmantelt.

De toetsingsconferentie in New York, onder auspiciën van de VN, is de zevende in successie sinds het non-proliferatieverdrag in 1970 van kracht werd. De conferenties worden om de vijf jaar gehouden en duren ongeveer een maand. Doel is het functioneren van het verdrag kritisch te volgen en aanbevelingen te doen voor een effectievere uitvoering. Maar de conclusies van de toetsingsconferentie zijn niet wettelijk bindend en blijken ook in de praktijk vrijblijvend. Toch wordt veel belang toegekend aan een akkoord over de slotverklaring als teken van goede wil.

Van de zojuist beëindigde toetsingsconferentie werd op voorhand al weinig verwacht omdat de voorbereidingscommissie er al evenmin in was geslaagd een werkdocument en een agenda op te stellen. Dat de VS werd vertegenwoordigd door een onderminister (Stephen Rademaker) is als een gebrek aan belangstelling beschouwd.

In het steeds vaker `mislukken' van de toetsingsconferenties tekent zich volgens velen de geleidelijke teloorgang van het NPV af. Dat verdrag werd in 1968 opgesteld om nucleaire technologie te kunnen verkopen zonder de afnemers van die technologie tegelijk een kernwapen in handen te spelen. De afnemers moesten beloven af te zien van ontwikkeling van kernwapens en moesten bovendien inspecties toestaan. De kernwapenstaten van het eerste uur (de VS, de toenmalige Sovjet-Unie en Groot-Brittannië) zouden niet geïnspecteerd worden, maar beloofden op hun beurt te streven naar totale nucleaire ontwapening. Ook Frankrijk en China deden dat toen ze later als wapenstaat toetraden. Het verdrag heeft geruime tijd redelijk gefunctioneerd maar is door de jaren heen steeds ook omstreden gebleven. De niet-kernwapenstaten protesteerden tegen het trage tempo waarin ontwapend werd. Ook wensten zij in het verdrag de toezegging te zien opgenomen dat ze nooit door een kernwapenstaat met kernwapens zouden worden bedreigd of aangevallen. Die `negatieve veiligheidsgarantie' is er nooit gekomen.

Op de vijfde conferentie in 1995, ook een jaar zonder slotverklaring, is overeengekomen het NPV onbeperkte geldigheid te geven. Maar sinds die tijd gaat de uitholling van het verdrag in gestaag tempo door. In weerwil van een nieuw schema voor nucleaire ontwapening heeft de VS bekendgemaakt nieuwe typen kernwapen te gaan ontwikkelen. Ook weigert het land het verdrag tegen kernproeven te ratificeren.

Wat het functioneren van het verdrag zelf betreft is misschien wel de dringendste vraag hoe moet worden opgetreden tegen verdragspartners die het verdrag plotseling opzeggen, zoals Noord-Korea heeft gedaan. Een NPV-staat kan het verdrag met een opzeggingstermijn van drie maanden verlaten als `buitengwone gebeurtenissen' het landsbelang in gevaar brengen. De gebeurtnissen zijn niet gedefinieerd en het gevaar is groot dat gedurende het lidmaatschap nucleaire technologie wordt vergaard die later, als geen inspecties meer plaatsvinden, voor militaire doelen wordt aangewend.

Een ander streven is dwingend voorgeschreven te krijgen dat alle inspecties van het internationale atoomenergie agentschap IAEA voortaan volgens de regels van het `Additionele Protocol' verlopen. Het protocol geeft IAEA-inspecteurs veel meer bevoegdheden dan vroeger, maar is nog lang niet door alle NPV-staten getekend.