`Roofkunst' moet in museum blijven

Britse musea mogen in het verleden geroofde kunstwerken niet teruggeven aan de rechtmatige eigenaars. Het hooggerechtshof in Londen bepaalde gisteren dat de overdracht van vier werken uit het British Museum aan de nazaten van een in de Tweede Wereldoorlog vermoorde jood in strijd is met de wet.

Volgens het hof weegt de Britse museumwet, die de collecties van musea beschermt voor het nageslacht, zwaarder dan ,,morele verplichtingen'' om gestolen kunst terug te geven.

De uitspraak werd met spanning tegemoet gezien omdat in Britse musea veel stukken staan waarop aanspraken rusten. Het beroemdste is wel de zogeheten Elgin Marbles, deel van het Parthenon-complex op de Akropolis van Athene. Griekenland vraagt Engeland al jaren om de teruggave ervan.

Lord Peter Goldsmith, de hoogste juridische adviseur van de Brit had om een uitspraak gevraagd over de vier tekeningen die het British Museum wilde teruggeven aan de nazaten van de laatste rechtmatige eigenaar, de Tsjechische advocaat Arthur Feldmann, door de nazi's bestolen en vermoord. De tekeningen, van een leerling van Martin Schongauer (15e eeuw), Niccolo dell'Abbate (16e eeuw), Nicholas Blakey en Martin Johann Schmidt (18e eeuw), hebben een geschatte gezamenlijke waarde van 225.000 euro en waren tot 1939 eigendom van Feldmann. Het British Museum kocht de werken vlak na de oorlog, in 1946, voor een bedrag van omgerekend ongeveer 375 euro.

Uit Nederlandse musea zijn verschillende door de nazi's geroofde kunstwerken teruggegeven aan de rechthebbenden. De commissie-Ekkart doet voor de regering onderzoek naar welke werken in aanmerkingen komen voor teruggave.