Ovulatie leidt bij mensen niet tot meer seks, eindelijk bewezen

Vrouwen hebben niet vaker geslachtsgemeenschap als ze ovuleren. Dit blijkt uit een groot recent onderzoek onder ruim 20.000 vrouwen met een vaste partner in 13 landen uit Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Tijdens ovulatie (het vrijkomen van een eicel uit de eileider) heeft een vrouw de meeste kans om zwanger te worden. Het ontbreken van een verband tussen ovulatie en seksueel verkeer is een belangrijke ondersteuning voor de theorie dat de verborgen ovulatie bij mensen een belangrijke rol heeft gespeeld in de menselijke evolutie (Current Anthropology, juni).

Binnen de primaten neemt de mens een aparte positie in omdat bij mensen niet van buiten zichtbaar is of een vrouw zich in een vruchtbare periode bevindt. Veel apensoorten hebben in de meest vruchtbare periode sterk opgezwollen schaamlippen, die de mannetjes opwinden en leiden tot intensief geslachtverkeer. Zonder gezwollen schaamlippen is er weinig belangstelling voor de vrouwtjes. Vaak is vermoed dat de verborgen ovulatie bij mensen een belangrijke rol heeft gespeeld in de menselijke evolutie, vooral in de relatie tussen man en vrouw. Het zou bijvoorbeeld leiden tot een sterkere monogame band tussen man en vrouw. Want om zeker te zijn van zijn vaderschap van de kinderen diende de man `zijn' vrouw voortdurend te `beschermen' tegen opdringerige concurrenten (behalve tijdens de menstruatie misschien), aldus die gedachte. En dat zou weer hebben geleid tot onderlinge samenwerking tussen mannen enzovoorts. Maar tot nu toe ontbraken betrouwbare gegevens over het verband tussen ovulatie-kans en een werkelijk seksueel gedrag. De ondervraagde groepen waren te klein of te beperkt in cultuur (meestal alleen Amerikanen). Twee onderzoeksters hebben daarin nu verandering gebracht met behulp van de Demographic and Health Surveys van de U.S. Agency for International Development (zie www.measuredhs.com) waarin grote aantallen inwoners van ontwikkelingslanden (vooral vrouwen) worden ondervraagd over familieverhoudingen, `voortplantingsgedrag', gezondheid en voeding en dus ook wanneer de laatste menstruatie was en of er de laatste 24 uur nog geslachtsgemeenschap had plaatsgevonden.

Voor dit onderzoek hebben Alexandra Brewis en Maria Meyer (University of Georgia, Athens) uitsluitend de gegevens gebruikt van getrouwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd wier man thuis woonde, en die niet zwanger waren en regelmatig geslachtsgemeenschap hadden. Ook werden vrouwen die chemische anticonceptie of periodieke onthouding toepasten uitgesloten: het eerste kan de hormoonhuishouding en dus het gedrag verstoren, het tweede heeft direct effect op seksueel gedrag rond de ovulatie. Of de ondervraagde vrouwen in de 24 uur voorafgaand aan het survey-interview geslachtsgemeenschap hadden gehad, bleek afhankelijk van een groot aantal factoren (menstruatie, leeftijd partner, hoeveelheid kinderen), maar dus niet van de kans op ovulatie. Van de onderdelen van de hormooncyclus had alleen de menstruatie effect op het seksueel gedrag: dat remde de geslachtsgemeenschap. Hoe bij vrouwen zonder vaste partner het seksuele gedrag zich verhoudt tot de ovulatie is dus overigens nog altijd onbekend.