Klinkers

Met aandacht en plezier heb ik het artikel `Aparte Klanken' (W&O 7 mei) gelezen, waarin Bart de Boer de theorie ontvouwt dat talen streven naar het optimaliseren van hun klinkersystemen. Die optimalisatie zou meestal geschieden in de richting van een stuk of vijf klinkers aan de randen van de 'klinkerdriehoek' in de mond.

Helaas voel ik mij geroepen een paar gaten te schieten in het mooie betoog.

Voor wie een beetje op de hoogte is van computerspeeltjes, is het duidelijk dat De Boer een nieuwe variant heeft verzonnen van Conway's bekende simulatiespel Game of Life. Dit soort simulaties leren ons veel over de invloed van de a priori opgelegde criteria en de randvoorwaarden voor het ontstaan van stabiele eindtoestanden, maar beschrijven niet noodzakelijkerwijze de werkelijkheid. De gekozen criteria zijn namelijk arbitrair. Helaas doet dit probleem zich ook bij De Boers theorie voor. Het criterium dat De Boer aanlegt voor een optimaal klinkersysteem is dat klinkers aan de rand van de klinkerdriehoek zowel makkelijk articuleerbaar als makkelijk verstaanbaar zijn.

Maar zijn dit wel zulke goede criteria voor een optimaal klinkersysteem in een natuurlijke taal? Als een afgevlakt klinkersysteem met alleen een a, e, ie, o, en oe zoals in het Spaans of Nieuwgrieks (liever dan Italiaans) optimaal is, waarom heeft het Nederlands dan zo'n enorme klinkerrijkdom? Hebben wij hier in de moerasdelta een jong taaltje dat nog de lange weg naar klinkerkaalheid, afvlakking en `optimalisatie' moet afleggen?

Of zou een taal met een grote klinkerrijkdom juist heel efficiënt en 'optimaal' zijn als we andere criteria aanleggen dan Bart de Boer heeft gedaan?

Laat ons een woord beschouwen als een klankgroep waaraan een betekenis wordt gekoppeld. Een taal die weinig klinkers kent, moet zwaar leunen op de medeklinkers om toch verschillende woorden voor uiteenlopende betekenissen te kunnen vormen. De woorden worden daardoor langer en ingewikkelder. In bijvoorbeeld de uit het Egyptisch afgeleide Semitische talen zijn de klinkers zo onbelangrijk, dat ze meestal niet eens worden geschreven. Ze doen er niet toe voor de identiteit van een woord. De klinkers fungeren slechts als bruggetje om van de ene naar de andere medeklinker te komen. In het Nederlands daarentegen hebben klinkers niet alleen deze brugfunctie, maar bepalen ze mede de identiteit van een woord. Zo kunnen wij onderscheiden tussen pal, paal, pel, peel, pil, pol, pool, pul, poel, peul, puil en Paul op grond van slechts een verschil in klinker. Deze dubbelfunctie van klinkers maakt het Nederlands zoals we zien tot een buitengewoon efficiënte taal. Klinkerarme talen zullen meer en ingewikkelder woorden moeten gebruiken, of dubbelzinnigheden moeten accepteren, om deze geweldige betekenisrijkdom te evenaren die het Nederlands met slechts twee mede-klinkers tot stand brengt. In De Boers simulaties komt deze optimalisatie niet tot uitdrukking.

Een ander probleem aan het verhaal van De Boer is dat hij zijn simulaties slechts toepast op klinkers. Wat worden de uitkomsten als je criteria aanlegt voor een optimalisatie van medeklinkers? Hoeveel klinkers passen daarbij? Of, nog een ander simulatiespel, met hoeveel voorzetsels kan een taal toe? Het Nieuwgrieks dekt 90% van zijn betekenisbehoefte met slechts de drie voorzetsels se, apo en me. Is dat nu optimaal of niet? Een Griek die Nederlands spreekt zegt even makkelijk `ik loop naar de gracht' als `ik loop in de gracht', want voor hem is het allebei `se', dus: in, op, naar, aan, voor, tegen, naar binnen. Hij vindt ons maar boekhouders met al onze voorzetsels. Immers iedereen snapt toch uit de context dat hij niet een nat pak wil oplopen. Is een taal die zo leunt op context nu optimaal of juist niet?

Mijn conclusie is dat De Boers uitkomsten een direct gevolg zijn van de axioma's die hij in zijn model heeft ingevoerd. Je krijgt eruit wat je erin stopt, net als bij de economische modellen van het Centraal Plan Bureau. Leuk om te lezen, maar geen empirische wetenschap.