Hoge respons in steekproefonderzoek is wel degelijk mogelijk

Nonrespons bij enquêtes ligt in Nederland hoger dan elders. Maar met maatwerk in de benadering van potentiële respondenten is een hoge respons bij steekproefonderzoek wel degelijk mogelijk. Dit betoogt Ineke Stoop, hoofd Informatisering en Automatisering van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), in haar proefschrift The Hunt for the Last Respondent. Stoop deed statistisch onderzoek naar het verschijnsel nonrespons, waarop ze 19 mei in Utrecht promoveerde. Uit Stoops proefschrift blijkt dat van een `vaste' groep permanente weigeraars geen sprake is: de groep mensen die nooit meewerkt is erg klein.

De laatste vijftien jaar hebben interviewers die met vragenlijsten een lijst huisadressen afwerken het steeds moeilijker om een hoog aantal deelnemers te realiseren. Nonrespons leidt al snel tot vertekening van de uitkomsten: wie garandeert dat de weigeraars er hetzelfde over denken als de niet-weigeraars? Wanneer in een enquête naar gevoelens van onveiligheid de nonrespons voor een groot deel op het conto komt van mensen die de deur voor een vreemde liever niet opendoen, heeft de onderzoeker een probleem.

In publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau steunt de onderbouwing voor een flink deel op enquête-uitkomsten. Omdat het duur is enquêteurs op pad te sturen en nonrespons de kwaliteit van die uitkomsten aantast, heeft Stoop het fenomeen nonrespons nader onderzocht. Daarbij heeft ze zich gericht op het vierjaarlijkse Aanvullend voorzieningengebruikonderzoek (AVO). Dat stelt vast in hoeverre Nederlanders gebruik maken van zaken als onderwijs, huursubsidie, musea, sportvelden en toneel. Die gegevens vinden hun weg naar SCP-publicaties als `Het sociaal en cultureel rapport', `Wijkkwaliteiten' en `Het gedeelde erfgoed'.

Uit Stoops analyse van het AVO-1999 blijkt dat de enquêteurs 48 procent van de huishoudens bij hun eerste poging bereikten. Na vier contactpogingen lag dit getal op 92 en na 8 pogingen was het opgelopen tot 98 procent. Iemand bereiken is natuurlijk iets anders dan de enquête daadwerkelijk afnemen, maar het biedt de mogelijkheid om deelnemers te overtuigen toch mee te doen. En het contact biedt inzicht in de redenen waarom mensen niet mee willen werken. Die redenen zijn zeer divers. Om de respons te vergroten komt het erop aan dat de interviewer goed en snel inschat welke redenen om mee te doen voor welke respondent het zwaarst wegen, en de juiste argumenten paraat te hebben om hem of haar over te halen': `het is een belangrijk onderwerp', `we zijn geïnteresseerd in uw mening', `u krijgt een cadeautje', `de resultaten komen in de krant', `het kan ook op een tijdstip dat het u wel schikt', etc. Aldus is bij AVO-1999, met lange vragenlijsten voor alle leden van het huishouden, een respons van 65 procent bereikt. Dat is veel.

Zeer intensief vervolgonderzoek onder `pertinente' weigeraars, waarvan 70 procent toch nog kon worden overgehaald een verkorte vragenlijst met essentiële AVO-onderwerpen in te vullen, wees uit dat die weigeraars in antwoorden niet wezenlijk verschilden van de doorsnee burger.

Stoop beveelt aan het verloop van het veldwerk in gedetailleerde contactformulieren vast te leggen. Informatie van nonrespondenten, zoals type woning en status van de wijk, kan volgens Stoop meer bijdragen aan de kwaliteit van steekproefonderzoek dan een verbeten – en dure – jacht op de laatste respondent.