Franse media beticht van ja-zeggerij

De Franse media liggen onder vuur. De overheid verlangt neutraliteit in de campagne en het nee-kamp beschuldigt de media van ouisme.

,,Wat het resultaat ook is, de verliezers zullen de media de schuld geven.'' Sternieuwslezer Patrick Poivre d'Arvor, van de commerciële zender TF1, maakte zich onlangs geen enkele illusie, al heeft juist hij zich strikt gehouden aan de voorschriften van de Franse Mediaraad. Die luiden dat de audiovsiuele media in tijden van verkiezingen en referenda spreektijd, ,,in billijkheid'' verdeeld, moeten gunnen aan alle kampen. Daarom nodigde `PPDA' voor een tv-uitzending over de Europese Grondwet niet alleen precies even veel voor- als tegenstanders uit, maar klokte hij ook hun spreektijd met een stopwatch.

Het oogde enigszins karikaturaal, maar misschien was dat wel de bedoeling. De Mediaraad klokt immers ook, conform een uit 1986 stammende wet inzake de objectiviteit van audiovisuele media in verkiezingstijd, en stuurt met regelmaat waarschuwingen naar overtreders. TF1 is nauwelijks interessant: tussen 4 en 15 april besteedde de zender welgeteld zes minuten en 75 seconden aan het `ja' en negen minuten aan het `nee'. In dezelfde periode besteedde de omroep France 3 vier uur, twee minuten en 57 seconden aan het `ja' en drie uur, vijf minuten en 25 seconden aan het `nee'. Tussen 4 en 29 april werden door alle zendgemachtigden samen achttien uur en tien minuten aan het `ja' gewijd en iets meer dan de helft, tien uur en veertig minuten, aan het `nee'.

Behalve de Mediaraad kwam het nee-kamp in actie. Een groot aantal nee-zeggers diende een klacht in bij de Raad van State, tegen de `regeringscampagne'. De Raad gaf daar geen gevolg aan. Van de Mediaraad eiste het nee-kamp, dat het eerste televisie-optreden van president Chirac ten gunste van het ja – het programma, waarin jongeren het staatshoofd hun vragen over de Grondwet voorlegden, duurde bijna twee uur – integraal werd meegeteld als ja-zendtijd. Ook die eis werd niet gehonoreerd. Interventies van de president zijn van oudsher hors-concours, een ,,onrechtvaardige'' traditie volgens de nee-zeggers.

Het ouisme, de ja-zeggerij, van de media is van stond af aan gehekeld. Vooral France 3 en met name het programma `France Europe Express' vormden het doelwit. Niet zonder belang is dat het aan Europa gewijde debatprogramma met doorgaans veel internationale gasten wordt gepresenteerd door Christine Ockrent, echtgenote van de socialist Bernard Kouchner, een officiële ja-zegger. Zij zou in de uitzending van 29 april collega-socialist Henri Emmanuelli, een van de aanvoerders van het nee-kamp, ,,onderbroken, aangevallen, uit zijn evenwicht gebracht'' hebben. Het omgekeerde kon met evenveel recht beweerd worden, maar nee-zegger en oud-minister Charles Pasqua was afgelopen dinsdag zichtbaar een gewaarschuwd mens: iedere keer als Ockrent een vraag wilde stellen blafte hij haar af.

De media liggen ook onder vuur van het Observatoire français des médias (OFM), een vereniging van `andersmondialisten' die ontstond in de marge van het Sociale Forum in Porto Alegre, in 2003. De uitkijkpost heeft opgeroepen tot demonstraties en eist ,,een eerlijk en pluriform debat''. Hun eis werd kracht bij gezet door de journalistiek zelf. Op 17 mei stuurden journalisten van de publieke omroep een door bijna vijftienduizend personen ondertekende petitie naar de Mediaraad, waarin het ,,erin hameren van het ja'' aan de kaak werd gesteld. ,,Talrijke'' collega's werden ervan beschuldigd hun boekje te buiten te gaan door stelling te nemen tegen het nee.

In de praktijk valt het mee: tot 13 mei kwam de spreektijd neer op 57 procent voor het `ja' en 43 procent voor het `nee', bijna binnen de grenzen van de door de Mediaraad opgelegde `billijkheid'. Anders dan gedacht werd, blijkt het `nee' volgens een studie van TNS Media Intelligence in maart en begin april zelfs heel veel meer aandacht te hebben gekregen, wegens het tumult rondom de dienstenrichtlijn van voormalig Europees commissaris Bolkestein.

Probleem bij de telling is dat de scheiding der geesten dwars door de partijen heen loopt. De hoofden van de informatie-afdelingen van de omroepen hebben daarom al verzucht dat zij door alle boekhouderij niet meer aan journalistieke afwegingen toekomen en de ,,grenzen van het vak in zicht [komen]''. Ook wordt geklaagd dat de overheid van de omroepen een neutraliteit vereist die zij, althans in dit geval, zelf niet in acht neemt. Bijkomend verschijnsel is dat het extreem-rechtse Front National, als onderdeel van het nee-kamp, salonfähig is geworden. Leider Jean-Marie le Pen, zijn dochter Marine en de nummer twee van de partij, Bruno Gollnisch, zijn veelvuldig op tv, zij aan zij met de socialistische en communistische nee-zeggers.

Het debat over het debat blijft overigens niet beperkt tot de audiovisuele media. Ook binnen de krantenredacties zorgen het ja en het nee voor frontlinies. Terwijl hoofdcommentaren over ieder ander onderwerp boter bij de vis geven, vermijden de meeste kranten in dit geval een officiële stellingname. Voor de gelegenheid worden de commentaren, vrijwel allemaal ten gunste van het `ja', ondertekend of halen individuele columnisten de kolen uit het vuur. De hoofdredactie van het regeringsgezinde dagblad Le Figaro heeft een hoofdartikel met een oproep tot ja-stemmen ingetrokken onder druk van de redactie.