Examenvrees

Nagelbijten, hartkloppingen, Valdispert: Nederland heeft de jaarlijks terugkerende eindexamenkoorts. Maar misschien realiseert u zich niet dat het centraal schriftelijke examen snel aan invloed verliest. Wie weet hangt over een tijdje niet alleen de schooltas maar ook het eindexamen zelf in de vlaggenmast.

Zo zal vanaf 2007 in de meeste bètavakken maar 60% van de leerstof centraal geëxamineerd worden en dat komt boven op een flinke vermindering van het aantal lesuren, die oploopt tot 30% bij de wiskunde. Dat snoeien gaat trouwens niet altijd even vlekkeloos. Zo leek het er bij natuurkunde even op dat de gehele twintigste eeuw zou wegvallen. Nu is 1900 geen slecht punt om met de les te stoppen, omdat men toen toch dacht dat de natuurkunde af was. Maar ja, waarom vieren we dan dit jaar een eeuw moderne fysica?

Is deze afkalving van de centrale examens ten gunste van de lokale schoolonderzoeken nu een goede of slechte ontwikkeling?

Allereerst lijdt iedere discussie over onderwijs onder het Gouden Eeuw-syndroom: de eigen ervaring wordt al gauw tot gulden standaard verheven. En hoe langer de ervaring geleden is, des te positiever de herinnering, een effect dat zich vooral krachtig voor lijkt te doen bij de militaire dienst. Hoeveel mensen zweren niet bij de oude HBS en vinden dat het mis ging met de Mammoetwet of met de Tweede Fase. Daarom is het verfrissend om zo nu en dan een vergelijkend warenonderzoekje te doen, bijvoorbeeld door te kijken of een scholier uit jaar x het examen van jaar y kan maken en vice versa. Voor de wiskunde is dat laatst uitgezocht en de conclusie was dat het eindexamenniveau niet piekte in de tijd van Thorbecke, maar zo rond het jaar 1980. (Ja, ja, toegegeven, ik deed examen in 1978.)

Mijn mening over examens is ambivalent. Zij wordt gekleurd door de volgende twee ervaringen met mijn studenten, die ik even zo scherp mogelijk zal proberen te formuleren. Ten eerste, ongeacht de vragen wordt bij een mondeling examen meestal binnen vijf minuten duidelijk hoe goed iemand de stof beheerst. Ten tweede, ongeacht de voorkennis kan ik iedereen binnen een jaar gegarandeerd een ruime voldoende laten halen voor een schriftelijk examen. Dat laatste punt geeft al aan dat de voorspelbaarheid van een examen een ingebouwde zwakte is. Uiteindelijk examineer je alleen de vaardigheid om examens te halen.

De huidige examens werpen een lange schaduw vooruit. De laatste twee schooljaren staan de lessen grotendeels in het teken van de naderende vragen. Een bijkomend probleem is de typische examencultuur van `mooie vragen'. Bij de exacte vakken uit zich dat vaak in onnodige context. Dan moeten de leerlingen eerst lezen dat het Nationale Instituut voor Onderzoek naar Lekkende Reactorvaten aan de Gedempte Gracht 137 te Bakkumerbroek gevestigd is, voordat ze de vervaltijd van radium mogen opzoeken. Een typische bèta zoals ik heeft maar een beperkt werkgeheugen en moet al die nutteloze informatie eerst weer wissen om vervolgens met een leeg brein ongestoord over de eigenlijke vraag te kunnen nadenken.

Een hoogtepunt van deze onzin werd bereikt in een wiskunde-examen van een paar jaar geleden, waarin werd gevraagd de hoek te berekenen waarover een complexe meetkundige figuur gedraaid moest worden, zodat deze tegen een verticale lijn aan kwam te liggen. Op zichzelf geen slechte vraag. Helaas was het probleem `gecontextualiseerd' in de vorm van een bijzettafeltje met dezelfde bizarre vorm, dat tegen een zitbank aangedraaid moest worden, compleet met korrelige foto. Ik kan niet het beeld onderdrukken van een examenmaker die op zaterdagochtend naar de lokale Gamma fietst voor een paar platen multiplex, om daar vervolgens in het tuinhuisje een eindexamenvraag van te zagen.

Maar dit bijzettafeltje is niet de reden waarom centrale examens uit het onderwijslandschap aan het verdwijnen zijn. Lange tijd leed het onderwijs onder het idee van de maakbaarheid van de maatschappij, dat vooral in socialistische kring leefde. Het begrip `maakbaar' is nu overal vervangen door het toverwoord `organiseerbaar'. Alle mooie plannen moeten immers ook uitgevoerd kunnen worden en dat vraagt pragmatische nuchterheid in plaats van goede bedoelingen en idealisme. Dit denken van de koude grond leidt tot een snel groeiende autonomie van schoolbesturen ten koste van de sturende rol van de centrale overheid.

Er komt zo meer en meer keuzevrijheid voor scholen, voor leraren en, als het goed is, ook voor leerlingen. Alhoewel, dat laatste is niet noodzakelijkerwijs het geval. Zo is het in eerste instantie aan de school om te bepalen of een keuzevak of een extra activiteit wel of niet wordt aangeboden, waarna de leerlingen uit deze preselectie mogen kiezen. Het is alsof in een restaurant eerst de kok de gerechten uit het menu mag kiezen die hij vandaag wilt koken. Misschien kent u de Cheese shop-sketch van Monty Python, waar een klant steeds wanhopiger pogingen doet om verschillende soorten kaas te bestellen, die allemaal uitverkocht blijken te zijn. Maar de kaaswinkel heeft een uitstekende reputatie, want hij is brandschoon, `uncontaminated by cheese'.

De gewonnen vrijheid zou in principe de leraar ruimte moeten bieden om zelf de stof te bepalen waarmee de leerlingen het best geboeid kunnen worden. Want naast de beheersing van de stof is het overbrengen van een vonk inspiratie minstens even belangrijk. Ondernemende leraren en scholen krijgen daarbij steeds meer hulp van universiteiten, die sinds lange tijd het voortgezet onderwijs weer zien staan. Er zijn interessante programma's, vooral in de bètavakken, waar de leerlingen een gedeelte van de lessen zelfs op de universiteit kunnen volgen.

Als grenzen wegvallen krijg je ruimte, ruimte aan de top voor ambitieuze vernieuwing, maar ook ruimte aan de onderkant waar normen gemakkelijk vervagen. Want hoe gaat het straks in die school in Bakkumerbroek, ver weg van universiteit, hogeschool of wetenschapscentrum? (Hoewel, ik herinner me vaag dat daar toch een instituut is.) Misschien zit daar wel een potentiële Nobelprijswinnaar in de klas. Is die school nog aantrekkelijk genoeg om inspirerende leraren aan zich te binden? En zo niet, wat zal het niveau van de eindexamenklas daar zijn? Wie bewaakt de bottom line van het onderwijs?

Het uniforme en relatief hoge niveau van het Nederlandse voortgezet onderwijs, voorzien van een stevige bodem, is een groot goed. Onze bescheiden geografie weerspiegelt zich mooi in dat onderwijslandschap. Daarom moet, ondanks alle intrinsieke gebreken, het centraal examen in de toekomst een belangrijke rol blijven spelen, als behoeder van kwaliteit, als rem op onbesuisde plannen en, niet te vergeten, als een nationaal toelatingsexamen voor universiteit en hogeschool.

Tot slot een korte examenvraag: Wat zijn de gevolgen van dit alles op de lange termijn?

a. De aanwezigheid van een geschikte school met een speciaal profiel zal een belangrijke reden worden om in een bepaalde streek of buurt te willen wonen.

b. In het Nederlandse onderwijslandschap zullen hogere pieken en diepere dalen ontstaan.

c. Over tien jaar hebben we voor de meeste studies toelatingsexamens aan onze universiteiten.

d. We zullen de terugkeer van idealisme in onderwijsland zien.

Vandaag reken ik alle antwoorden goed.