Amerikanen dansen op de rand van de vulkaan

Waanzin. Zo typeert het tweewekelijkse Amerikaanse zakenblad Fortune de huizenmarkt in de Verenigde Staten. Sinds 2000, toen de luchtbel van de informatie- en communicatietechnologie uiteenspatte, is de gemiddelde prijs voor een eengezinswoning in New York City 77 procent gestegen, in Miami 92 procent en in San Diego 105 procent.

Die exorbitante stijging is, zo maakt het blad duidelijk, te wijten aan het snel groeiende deel van het Amerikaanse publiek dat met speculaties op de huizenmarkt snel binnen wil lopen. Het zijn, zo analyseert het blad, gelegenheidsspeculanten, mensen die zo eens in de tien jaar en masse opduiken om op de markt een graantje mee te pikken van de waan van de dag. Volgens recente gegevens van de Amerikaanse Vereniging van Makelaars bestaan de huizenkopers momenteel voor 10 procent uit investeerders, de kopers van een tweede huis niet meegerekend. Dat is twee keer zoveel als het historisch gemiddelde, schrijft het blad. Vergelijking met de aandelenluchtbel van de jaren negentig leert dat het feest gauw over is, voorspellen de analisten, de experts en de vakbladen, inclusief Fortune. Maar dat doen ze al twee jaar, erkent het blad. En het feest is nog steeds in volle gang.

Veel mensen die er aan meedoen hebben wel in de gaten dat ze aan het bellenblazen zijn, maar nemen het risico gewoon voor lief. Zelfs zijn ze bereid om zich te laten instrueren door een makelaarconsultant als Rus Whitney die bereid is op te treden als mentor en zijn pupillen met een spoedcursus van een week klaarstoomt voor de huizenmarkt, tegen betaling van 35.000 dollar. Een van zijn pupillen, zo verhaalt het blad in stomme verbazing, kocht in het kader van de spoedcursus december vorig jaar een huis, maar weet nu al niet meer hoeveel hij ervoor betaalde. Het is nog altijd hetzelfde liedje, verzucht het blad zorgelijk, ,,de gasten die er vroeg in stappen verdienen goed geld, en degenen die op het laatste moment meedoen zitten met de gebakken peren''.

Ook het beursblad Barron's maakt zich zorgen over de huizenmarkt. In een commentaar dat druipt van het sarcasme bespreekt het blad enkele uitlatingen van Alan Greenspan, de topman van de Amerikaanse centrale bank, over het onderwerp. In een toespraak vorige week bagatelliseerde deze het bestaan van een nationale luchtbel, in één adem erkennend dat ,,het moeilijk is om niet te zien dat er veel lokale luchtbellen zijn''.

Het beleid van de centrale bank om de rente omlaag te duwen is een van de oorzaken van de huizenmanie, meent het blad. Andere oorzaken zijn veel te lage normen voor het verlenen van hypotheken, financieringsvormen waarbij je alleen rente hoeft af te lossen, en speculatie. Bovendien heeft het stijgen van de huizenprijzen geleid tot nog meer leningen voor de aanschaf van dure gebruiksgoederen. Leuk voor de economie, maar rampzalig voor de huiseigenaren in kwestie, zodra de prijzen dalen. In de bouwwereld gaat het nu nog goed, maar dat zal niet lang meer duren, voorspelt het blad, want de insiders zijn al druk doende hun aandelen in de bouwsector van de hand te doen.

De reden daarvoor staat in het Britse weekblad The Economist. Want, schrijft het blad, de economen van investeringsbank Goldman Sachs wijzen erop dat het niveau van de investeringen op de huizenmarkt met 5,75 procent van het bruto binnenlands product de laatste vier decennia niet meer zo hoog is geweest, terwijl de groei van nieuwe huishoudens op lange termijn is vertraagd tot 1 procent. Uit het rapport van de bank blijkt ook dat de Amerikanen een groeiend deel van hun inkomen kwijt zijn aan hun huis. Tot het eind van de jaren negentig bedroeg de gemiddelde prijs 2,75 maal het gemiddelde inkomen. Die verhouding is gestegen tot 3,4. Deze trends, meent het blad, zijn onhoudbaar. Het blad voorziet dat veel Amerikanen in de problemen komen, te beginnen in de kuststaten waar eenderde van de bevolking woont en waar de prijzen het hoogst zijn.

Het probleem is dat de Amerikanen niet sparen, vindt Lewis Lapham in het Amerikaanse maandblad Harper's. Hij is eindredacteur van het blad en zegt dit in een rondetafelgesprek met Glen Hubbard, hoogleraar economie en voorheen voorzitter van Bush's Raad van Economische Adviseurs, Paul Krugman, hoogleraar economie en columnist van het Amerikaanse dagblad The New York Times en Peter Peterson, voorzitter van de Raad voor Buitenlandse Betrekkingen. De heren zijn het nergens over eens behalve over het idee dat de Amerikanen meer moeten sparen. Immers, zo vat Lapham het samen, meer dan 70 procent van 's werelds spaartegoeden wordt geleend aan de Amerikanen, terwijl hun eigen spaartegoed nul is.

Na een venijnige discussie over de belastingmaatregelen van de regering-Bush tussen Hubbard en Krugman worden Hubbard en Peterson het eens over de noodzaak van een wettelijke verplichting tot sparen. Maar wat het verschil is tussen een wettelijke spaarplicht en belasting betalen blijft in het midden, evenals Krugmans conclusie dat er in Amerika momenteel geen ruimte is voor compromissen.