Als er iets mis is

Scholen moeten actiever worden in het signaleren van kindermishandeling, vindt de regering. Een goed idee, vindt schoolpsycholoog Noëlle Pameijer. Alleen jammer dat het vervolgtraject soms zo moeizaam verloopt.

DE CIJFERS zijn nauwelijks te bevatten. Geschat wordt dat jaarlijks 50.000 tot 80.000 minderjarigen worden mishandeld in Nederland, terwijl een veel groter aantal getuige is van huiselijk geweld. Per jaar overlijden tenminste vijftig kinderen aan de gevolgen van mishandeling.

Onder kindermishandeling wordt elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie verstaan die volwassenen opdringen aan kinderen, waardoor ernstig fysieke of psychische schade kan ontstaan. Hieronder valt behalve fysieke en emotionele mishandeling en verwaarlozing, ook het getuige zijn van huiselijk geweld.

Wat veel voorkomt is het stellen van te hoge eisen, vertelt Noëlle Pameijer, schoolpsycholoog bij Annie M.G. Schmidt, school voor speciaal basisonderwijs in Hilversum. ``Dan zien we een kind dat echt niet naar huis durft met zijn rapport. Of een kind dat volslagen in paniek raakt als ze een fietssleuteltje kwijt is. Sommige ouders zien niet in dat hun kind ergens niet toe in staat is of iets nog niet begrijpt. Die gaan schelden en kleineren of slaan, waardoor de kinderen angstig en gespannen raken.'' Ook verwaarlozing is gangbaar. ``Kinderen die veel te koude kleren aan hebben, niet naar huisarts of tandarts gaan, geen eten mee naar school krijgen.''

Protocol

Om eerder te signaleren dat er iets mis is in een gezin, wordt een meldcode ofwel protocol verplicht voor alle beroepsgroepen die met kinderen werken. Althans, het Ministerie van VWS meldde maart j.l. dat staatssecretaris Ross dit wil opnemen in de Wet op de jeugdzorg. Een actie die voortvloeit uit de shockerende dood van het meisje Savanna en de daaropvolgende discussie over kindermishandeling en het functioneren van jeugdhulpverlening. Het werken volgens een protocol voorkomt dat vermoedens blijven liggen. Dat laatste gebeurt nu nog te vaak, zo meldt desgevraagd het Expertisecentrum Kindermishandeling.

Sinds een jaar werkt de Annie M.G. Schmidtschool met een protocol. ``Zodra het geheimzinnig wordt raakt een kind in paniek, dus we vertellen het als we met de ouders gaan praten. Dat doen we altijd en, als de ouders dat willen, helpen we ze bij het zoeken naar hulp. Als de ouders echter niet meewerken en wij ons zorgen blijven maken, melden we het gezin aan bij Jeugdzorg of AMK. Het liefst over de telefoon, met de ouders ernaast en de speakers aan, zodat duidelijk is hoe serieus we het nemen.'

Pameijer haalt een voorbeeld aan van een jongen van acht jaar, die aangaf slecht te horen. ``Hij vertelde dat zijn oor suisde omdat zijn vader hem een klap op zijn hoofd had gegeven. Dat gebeurde wel vaker, en dan suisden zijn oren altijd een paar dagen. Ik heb het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) gebeld voor advies en zij bevestigden dat dit serieuze klappen waren geweest. De jongen wilde aanvankelijk niet dat we met zijn ouders gingen praten. Na wat heen en weer gepraat ging hij overstag. Hij kwam zelf aan met mooi Supermanpapier waarop we vastlegden waar ik het met zijn ouders over zou hebben. `Vraag maar aan ze hoe dat zit met mijn kamer opruimen', zei hij. In dit geval reageerden de ouders opgelucht. Ze erkenden dat ze te zwaar straften. Ik heb ze toen drie vormen van vrijwillige hulp voorgesteld en gezegd dat ze daar hun keus uit moesten maken, en dat ik na twee weken een beslissing wilde. Dat werkte.''

Nog lang niet alle scholen hebben een protocol waarin staat wat beroepskrachten moeten doen als ze mishandeling vermoeden. Een protocol geeft de leerkrachten houvast in moeilijke situaties. Knagende twijfels - zie ik het wel goed, mag ik mijn normen en waarden opleggen aan een ander, wat zal het kind vanavond weer meemaken - moeten gedeeld worden met collega's, die vervolgens gezamenlijk bepalen welke stappen ondernomen moeten worden, vertelt Pameijer. Door de zorg te delen en zich vast te houden aan richtlijnen, krijgen persoonlijke interpretaties niet de overhand.

Vak bellen

Dat scholen een belangrijke rol spelen bij het signaleren, is helemaal terecht, zegt Pameijer. ``Wij zien de kinderen vijf dagen per week, zes uur per dag. We zien ze buiten spelen, gymmen, omkleden. We zien wat voor kleren ze aanhebben, wat voor eten ze meekrijgen, hoe ouders en kinderen met elkaar omgaan bij het brengen en halen. Als iemand buiten het gezin kan zien dat er iets mis is, zijn wij dat wel.''En dan. De ouders hebben hulp aangevraagd, of de school. `Er gaan zo een paar weken, zo niet maanden overheen voor de hulp op gang komt,' vertelt Pameijer. ``Het enige wat de school dan kan doen is het kind blijven steunen en bellen, heel vaak bellen.''

Wat Pameijer ook spijtig vindt is dat de diagnostiek soms overnieuw gedaan wordt. ``Opnieuw een I.Q.-test. Of ze gaan de hele voorgeschiedenis weer doornemen met de ouders. Dat kost zo een paar dagdelen. Terwijl een gesprek met ons en een blik in het dossier die kennis ook op zou leveren.' Verder betreurt Pameijer het dat de school niet altijd wordt betrokken bij het vervolgtraject. ``Soms hebben we geen idee wat er gebeurt terwijl wij het kind dagelijks blijven zien.''

Maar Pameijer heeft ook goede ervaringen met hulpverleners. Het hangt van de persoon af. ``De eerste dag dat een nieuwe leerlinge bij ons op school kwam, nam haar voogd al contact met ons op om informatie uit te wisselen en afspraken te maken. Hij had en nam de tijd om een goede samenwerking op poten te zetten. Een voogd die een traject uitzet en bepaalt wie waar verantwoordelijk voor is, is goud waard.''

Een kinderpsychiater pleitte onlangs voor tweejaarlijks bezoek van de schoolarts om gedragsproblemen eerder op te sporen. Pameijer haalt haar schouders op. Het gaat om de houding van àlle beroepskrachten, vindt ze. ``Kraamhulpen weten met de eerste stap die ze in een gezin zetten of een kind gewenst is of niet. Consultatiebureau-artsen weten dat kinderen die niet op het bureau verschijnen, hun hulp het hardst nodig hebben. En schoolartsen en leerkrachten kunnen veel signaleren als ze maar outreaching zijn; op bezoek gaan, praten. Niet de ouders maar het belang van het kind moet voorop staan. Opvoeden is geen recht maar een voorrecht. Bij tegenstrijdige belangen tussen kind en ouders zullen wij altijd voor het kind kiezen.''