Wenen is wonderschoon

`Wenen heeft geen toilettencultuur', spot Thomas Bernhard in zijn roman Alte Meister. De sardonische dwarsligger Bernhard, tegenwoordig welhaast de meestgeliefde Oostenrijk-hater aller tijden, was niet de enige die graag de draak stak met zijn vaderland. `Wenen zwijgt', luidt een beroemde uitspraak van Ingeborg Bachmann in haar roman Malina, waarmee ze doelde op het slecht verwerkte nationaal-socialistische verleden van de stad. En afgaande op het oeuvre van Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek lijkt de stad uitsluitend bevolkt door gedeformeerde en pathologische karakters. Slechts weinig serieuze Oostenrijkse schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog hebben een positief geluid laten horen over de Donau-metropool. Heimito von Doderer vormt welhaast de enige uitzondering, al is het veelzeggend dat zijn monumentale romans uit de jaren vijftig, Die Strudlhofstiege en Die Dämonen, gesitueerd zijn in de vooroorlogse tijd.

Des te opmerkelijker is het dat er nu twee romans zijn verschenen waarin de stad Wenen heel wat genuanceerder en deels zelfs positief wordt beschreven: Gerhard Roths Das Labyrinth en Peter Roseis Wien Metropolis. Roth (1942) en Rosei (1946) behoren tot de bekendste Oostenrijkse schrijvers. Lang geleden golden ze als grote beloften en werden hun boeken ook in Nederland vertaald en bediscussieerd. Maar inmiddels zijn ze ietwat in vergetelheid geraakt.

Roth lijkt de meer ambitieuze van de twee. Nauwelijks had hij in 1992 zijn zevendelige, uit romans, essays en (foto-) reportages bestaande cyclus Die Archive des Schweigens afgesloten (zelf sprak hij van een `alternatieve geschiedschrijving'), of hij begon aan een nieuw mammoetwerk van zeven delen genaamd Orkus. Het nu verschenen Das Labyrinth vormt het vijfde en tot dusver omvangrijkste deel van de nieuwe cyclus.

Pyromaan

De roman begint sterk met de beschrijving van een brand in de Weense Hofburg, die in 1992 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De psychiater Pollanzy vermoedt dat een van zijn patiënten, de aankomende historicus en ervaren pyromaan Philipp Stourz, de brand heeft gesticht. Pollanzy en Stourz zijn respectievelijk directeur en patiënt-hulpverpleger van de beroemde kliniek Gugging vlakbij Wenen, waar patiënten in het kader van hun therapie worden aangemoedigd tot artistieke bezigheden. Pollanzy is gespecialiseerd in de verhouding tussen kunst en waan, en voor zijn pupillen brengt hij veel begrip op. `Soms', zo luidt het in een van de vele monologen, `benijd ik de waanzinnigen om hun waanzin, een waan die voor mij het universum misschien begrijpelijker zou kunnen maken.' Philipp Stourz op zijn beurt heeft behalve voor vuur een passie ontwikkeld voor Karel de Eerste, de laatste keizer van de Habsburgers, over wie hij een wetenschappelijke studie schrijft.

De Oostenrijkse geschiedenis en de verhouding tussen kunst en waan vormen de twee hoofdthema's van Das Labyrinth. Niet zelden wordt de handeling overwoekerd door theoretische delen. Soms zijn deze boeiend, vooral als ze over schizofrenie en kunst gaan of over Pessoa, Cervantes of Kafka – de Praagse schrijver overleed in het sanatorium Kierling op een steenworp afstand van Gugging. Maar vaak zijn de uitweidingen nogal willekeurig, nauwelijks geloofwaardig met de handeling verbonden. Vooral de historische delen trekken met hun droog-opsommende vertelwijze een flinke wissel op het geduld van de lezer. Daar komt nog eens bij dat een gevariëerde stijl niet bepaald Roths sterkste kant is. Elk van de zes hoofdstukken wordt verteld vanuit het perspectief van een ander personage, maar het taalgebruik blijft identiek, wat onvermijdbaar tot een zekere monotonie leidt.

Veel beter op dreef is Roth in de realistische delen. Naast het knappe openingshoofdstuk valt de sfeertekening van het `Haus der Künstler' in Gugging op, met zijn waanzinnige patiënten. Gerhard Roth heeft een ambitieuze en veeleisende roman geschreven waarin sterke en zwakke fragmenten elkaar in evenwicht houden.

Ook in Peter Roseis Wien Metropolis speelt de Oostenrijkse geschiedenis een belangrijke rol. Maar hij vertelt veel minder nadrukkelijk dan zijn collega. Rosei schuwt het essayisme en zijn toon is ontegenzeggelijk lichtvoetiger en gevariëerder. De term `roman' op het omslag is overigens niet geheel passend want Wien Metropolis mist een doorlopende handeling en bestaat uit korte fragmenten. Rosei volgt ongeveer twintig personages in Wenen tussen grofweg 1950 en 2000 (zonder dat de lezer de draad kwijtraakt), met enkele terugblikken naar de vooroorlogse tijd. Sommige personages verschijnen maar even, anderen komen regelmatig terug en in enkele gevallen blijken hun lotgevallen op delicate wijze met elkaar verbonden.

Als Wien Metropolis al een centraal thema heeft, dan is dat de hunkering naar geluk. Iedereen probeert zijn leven te verbeteren, meer welvaart of aanzien te verwerven, of het nu om een kunstverzamelaar, zakenman, academicus of buitenlandse arbeider gaat – Rosei geeft een dwarsdoorsnede van de Weense bevolking. Dat geldt ook voor het vriendenpaar Alfred en Georg, die vanuit de provincie naar Wenen trekken (`Wien – das ist wunderschön') om te gaan studeren en carrière te maken. De aankomende jurist Alfred is afkomstig uit een arbeidersmilieu, heeft nauwelijks contact met zijn opvoeders en wordt vertroeteld door een tante, die later zijn biologische moeder blijkt te zijn. Deze gevoelige dromer en outsider – een oertype in het werk van Rosei – belandt later in het vredesactivisme en gaat een wat onduidelijke toekomst tegemoet. Georg, eveneens opgegroeid in een eenvoudig gezin, is zijn tegenpool: hij wordt succesvol als zakenman, trouwt met de dochter van een bekend chirurg en mag zich uiteindelijk villabezitter noemen.

Schatrijk

Het portret dat Rosei geeft van Alfred en Georg behoort tot de hoogtepunten van deze roman. Maar er is nog iemand die opvalt en die meer aandacht krijgt dan de overige personages: de autohandelaar Leitomeritzky, misschien wel de vader van Alfred. `Leito' bouwt een commercieel imperium op en wordt gaandeweg schatrijk. Deze zoon van een voddenjood heeft op het nippertje Auschwitz overleefd, maar over zijn kampervaringen zwijgt hij liever: `Hij wilde zich niet bezighouden met medelijden. Hij had het elan nodig dat je krijgt door succes. En hij wist ook door de lotgevallen van zijn kampgenoten hoe dicht medelijden en verachting bij elkaar liggen en hoe eenvoudig het een in het ander overgaat.'

Peter Rosei is een voortreffelijk stilist, een liefhebber van het gedempte geluid en van de tussenkleur – melancholie is de grondtoon van dit bij vlagen poëtische boek. Opvallend is het mededogen waarmee hij zijn lang niet altijd sympathieke personages beziet; satirisch wordt hij bijna alleen als het over de erotische escapades van `Leito' gaat.

Slechts tegen het slot boet deze roman ietwat aan kracht in. Enkele personages trekken zich terug uit het leven en wijden zich geheel aan de bijbel of aan het oeuvre van de Oostenrijkse schrijver `Berner' (achter wie men Thomas Bernhard mag vermoeden) – een escapisme dat ietwat gezocht overkomt. Maar deze kleinigheid doet amper afbreuk aan het leesplezier. Wien Metropolis behoort tot de verrassingen dit voorjaar op de Duitse boekenmarkt. Waarschijnlijk is deze roman Peter Roseis beste werk tot nu toe.

Gerard Roth: Das Labyrinth. S. Fischer Verlag, 455 blz. €20,–

Peter Rosei: Wien Metropolis. Klett-Cotta, 251 blz. €19,10