Vertroetel ons wonderkind

Hoe verder Europa zich uitbreidt naar het Oosten, hoe meer de blik zich richt op het westen. Terwijl Frankrijk en Duitsland tegen hervormingen aanhikken, klinkt uit Engeland een optimistisch geluid: de Unie is als een olievlek van politieke beschaving.

Een werknemer bij de Franse Spoorwegen SNCF leeft in sprookjesland. De leeftijd waarop hij met pensioen kan, ligt nog lager dan het in Frankrijk toch al lage gemiddelde van 58 jaar. Hij kan vrij reizen en brengt zijn vakanties vrijwel gratis door in dorpen die worden beheerd door de bedrijfstak die ook zijn pensioen betaalt, gefinancierd uit de algemene middelen. Zeventig procent van alle sociale uitgaven in Frankrijk wordt uitgekeerd aan non-actieve burgers, vooral voormalige werknemers bij de publieke diensten, die meestal een modaal of bovenmodaal inkomen genieten. Aan hun rechten mag niet worden getornd. Daarentegen hebben de talloze werklozen (meer dan tien procent van de beroepsbevolking, volgens sommigen ligt het werkelijke percentage zelfs dichter bij vijftien) het nakijken. De helft van dit miljoenenleger is jonger dan 25 jaar en krijgt daarom helemaal niets. Zo is de armoede in Frankrijk snel opgerukt.

De kans op een baan voor dit legioen werklozen is klein in een stagnerende economie die zucht onder exorbitante sociale uitgaven, maar ook onder hoge loonkosten en de bemoeizucht van een topzware overheidsbureaucratie. Die combinatie heeft ertoe geleid dat in Frankrijk nauwelijks nieuwe bedrijven worden opgericht: het is te duur en te ingewikkeld. Vooral jonge immigranten kunnen moeilijk werk vinden en worden de verpaupering en de criminaliteit ingedreven. Van de afkeer van deze allochtonen profiteert het radicaal rechtse Front National, dat in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen drie jaar geleden meer stemmen kreeg dan de Socialistische Partij. Toch blijft links nog steeds voorop lopen in de verdediging van het geciviliseerde Frankrijk tegen het geglobaliseerde jungle-liberalisme.

Het Europa van één markt en één valuta wordt sinds de toetreding van de nieuwe lidstaten nog meer dan voorheen door de Fransen afgewezen als een verlengstuk van een `ultraliberaal' globaliseringsproject naar Angelsaksische snit. Dit neoliberalisme is in Franse ogen een bedreiging van de solidariteit waarop de inrichting van hun samenleving sinds lange tijd berust. De recente afwijzing van de Brusselse Dienstenrichtlijn is symbolisch voor een stemming die ook het oordeel over de Europese Grondwet bepaalt.

De Canadese historicus Timothy Smith, specialist in de geschiedenis van de Franse verzorgingsstaat, schrijft in France in Crisis dat de mondialisation in Frankrijk voor zowel links als rechts een kop van Jut is geworden. De grote natie is behept met een anti-Angelsaksische ideologitis die de noodzaak moet verhullen om het veel te dure en bovendien onrechtvaardige stelsel van sociale voorzieningen te hervormen. De lange marsen door de straten van Parijs, uit naam van een sociale beschaving die de kapitalistische wildernis op afstand moet houden, wekken een valse indruk. In zijn degelijke studie, die helaas wordt ontsierd door talrijke herhalingen, toont Smith aan dat de demonstraties de gevestigde belangen dienen van overheidsambtenaren en gepensioneerden die bovenmatig profiteren van een corporatistische verzorgingsstaat.

Europa wordt steeds Britser en dus wordt Frankrijk steeds anti-Europeser. Dankzij hun gevoelige antenne voor machtsverhoudingen beseffen de Fransen dat de geopolitieke kaart fors is veranderd. Sinds de EU vorig jaar van vijftien naar vijfentwintig leden is uitgebreid, voelt Frankrijk zich naar de marge van de Europese politiek gedrukt doordat de nieuwe Midden-Europese lidstaten Britse standpunten aanhangen. Ze zijn afkerig van een politieke unie, koesteren de band met de Verenigde Staten en in hun economische politiek oriënteren ze zich op het Angelsaksische model van open markten en lage belastingen.

Als de Fransen zondag de Europese Grondwet afkeuren, zal de inhoud van dat document niet de doorslag geven. De belangrijkste bepalingen komen zelfs in hoge mate tegemoet aan Franse wensen. De positie van de Europese Raad van regeringsleiders wordt versterkt ten opzichte van de supranationale Europese Commissie. De nieuwe besluitvormingsprocedure in de Raad betekent een verandering ten gunste van grote naties zoals Frankrijk. Het nationale vetorecht in de buitenlandse en defensiepolitiek blijft, in overeenstemming met Franse verlangens, gehandhaafd.

Maar deze uitkomsten spelen in de Franse discussie nauwelijks een rol. De strijd voor `solidariteit' is er volgens Smith een geloofsartikel geworden, terwijl de ware motieven om de gevestigde belangen onaangetast te laten bestaan uit verstokt conservatisme en angst voor de straat. Een aanpassing van het bestaande voorzieningensysteem is geen capitulatie voor het dictaat van de markt, maar een noodzakelijke maatregel om de overheidsfinanciën op orde te krijgen. Smith is geen aanhanger van het Amerikaanse model, dat eveneens berust op een ideologische overtuiging, namelijk dat lagere belastingen altijd uitkomst bieden. Het is volgens hem ook niet nodig dat Frankrijk in die richting verandert. Gevraagd is een nieuw en betaalbaar evenwicht tussen vrije markt en sociale rechtvaardigheid. Zweden en Nederland hebben in de jaren tachtig en negentig, aldus Smith, laten zien hoe de verzorgingsstaat kan worden hervormd zonder de voorzieningen af te breken.

Het verhaal over te hoge sociale uitgaven, regelzucht en massale werkloosheid gaat voor Duitsland evengoed op als voor Frankrijk. De twee belangrijkste naties van het Europese continent zijn economische patiënten geworden. Lange tijd vormden zij de tandem van de Europese integratie, maar inmiddels zijn ze de bestuurders van een continentale invalidewagen die al rijdend blokkades opwerpt. De leiders van deze naties, schrijft de eminente Adenauer-biograaf Hans-Peter Schwarz in Republik ohne Kompass, hebben zich ontwikkeld tot specialisten in obstructie en demontage. Zij hebben afgedwongen dat het Stabiliteitspact is onttakeld, zodat het tekort op hun nationale begroting nog verder kan oplopen. Deze Europese sanctionering van een onverantwoordelijke overheidspolitiek kan op den duur niet anders dan de positie van de euro ondermijnen. Wie herinnert zich nog dat de monetaire unie bedoeld was om Duitsland in Europa te verankeren en dat het dus ook om politieke redenen hoogst ongewenst is om de belangrijkste grondslag van deze unie, het Stabiliteitspact, aan te tasten?

Hoezeer de onwil om te hervormen ook in Duitsland een ideologisch karakter heeft gekregen, blijkt uit de retorische stormloop van SPD-voorzitter Franz Müntefering tegen het internationale kapitalisme. Kanselier Schröder, die evenals zijn compagnon Chirac uitsluitend geïnteresseerd lijkt in de uitslag van de eerstvolgende verkiezing, kijkt bij dit verongelijkte gespartel glimlachend toe. Laten we ons nog maar eens afkeren van de werkelijkheid, zo lijkt het devies, wie weet levert die houding voordelen op. Zal de SPD ook in de campagne voor de komende Bondsdagverkiezingen deze koers aanhouden? Inmiddels is zo'n groot deel van de Duitse burgerij in onzekerheid en verwarring, dat ook na de SPD-nederlaag van zondag in Noordrijn-Westfalen niet uit te sluiten valt dat de getalenteerde demagoog Schröder net als drie jaar geleden zijn kansen grijpt.

Duitsland, schrijft Schwarz in zijn pittige en provocerende betoog, is er nog slechter aan toe dan Frankrijk. Het kampt niet alleen met zware economische tegenslag, maar ook met een identiteitscrisis die tot wankelheid in de buitenlandse politiek leidt. Typerend is dat minister van Buitenlandse Zaken Fischer nog in het voorjaar van 2000 aan de Humboldt Universiteit een wervend betoog hield voor een federaal Europa, geleid door Frankrijk en Duitsland, om zich daar binnen korte tijd weer van af te keren. Tegelijkertijd laat kanselier Schröder zich meeslepen door een Franse president die wél weet wat hij wil: het Franse prestige vergroten. Die doelstelling moet vooral bereikt worden door in belangrijke internationale kwesties een Europees tegenwicht te vormen tegen de Verenigde Staten: enkele jaren geleden tijdens de Irak-crisis en nu in het conflict over de opheffing van het wapenembargo tegen China. Deze Franse ambitie, aldus Schwarz, is strijdig met Duitse belangen. Duitsland heeft zich nota bene als geen andere Europese natie beijverd om de Midden-Europese landen toe te laten tot NAVO en EU, met het doel aan de Duitse oostgrens stabiliteit te scheppen. Deze landen hechten terwille van die stabiliteit aan een sterke band met de Verenigde Staten.

De logica van dat standpunt werd begin deze maand nog eens bevestigd door de uitspraak van de Russische president Poetin dat de ineenstorting van de Sovjet-Unie de grootste politieke catastrofe van de twintigste eeuw was. In Midden-Europa beseft men dat alleen met Amerikaanse steun belet kan worden dat Moskou in de toekomst probeert deze ramp ongedaan te maken. Tegen die achtergrond is de houding van Schröder, die in het kielzog van Chirac herhaaldelijk duidelijk maakt de band met Moskou belangrijker te vinden dan een goede relatie met Washington, nadelig voor de samenwerking met de Midden-Europeanen en dus voor de Europese integratie die een Duits belang is.

Schwarz gaat niet opzij voor een keiharde vraag die in Duitsland als een vloek in de politieke kerk zal klinken. Waarom steeds maar de exclusieve band met Frankrijk blijven cultiveren? Het valt niet te ontkennen dat de Frans-Duitse `as' meer dan veertig jaar heeft gefunctioneerd als de stut van de Europese integratie. Maar de voordelen van deze speciale relatie wegen volgens Schwarz in het uitgebreide Europa van 2005 niet meer op tegen de nadelen. De Franse natie sterkt Duitsland in het verkeerde idee dat een hoge staatsschuld zo erg niet is en voert een obstructiepolitiek tegen Amerika die in het uitgebreide Europa door een meerderheid wordt afgekeurd.

De eerste eis aan buitenlandse politiek, citeert Schwarz de Duitse historicus Meinecke, is nu eenmaal de werkelijkheid onder ogen zien. In de Europese realiteit van vandaag bezit Groot-Brittannië een sleutelpositie, dankzij de speciale band met de Verenigde Staten en dankzij een economische politiek die het succesvolle voorbeeld is voor de Midden-Europese naties. Bovendien vinden de Britse bezwaren tegen het democratische tekort van de Europese instellingen en tegen een door Frankrijk en Duitsland geleide politieke unie steeds meer weerklank, niet alleen in Midden-Europa. De paradoxale uitkomst van de EU-uitbreiding naar het oosten is dat Europa westerser en Angelsaksischer is geworden. De onontkoombare conclusie luidt, aldus Schwarz, dat Duitsland zich meer moet richten op samenwerking met de Britten. Uiteraard kan Berlijn zich geen conflict met Parijs veroorloven, maar het moet tenminste de koers verleggen van een exclusieve band met de Fransen naar wisselende coalities met Groot-Brittannië en Frankrijk.

In het Europa van na de Koude Oorlog heeft de verbreding gezegevierd over de verdieping. De ambitie die in het Verdrag van Maastricht (1992) geformuleerd werd om te streven naar een politieke unie met een gemeenschappelijke buitenlandse en defensiepolitiek blijkt te hoog gegrepen. Europa was verdeeld over Bosnië (1995) en Irak (2003), terwijl het in de kwestie-Kosovo (1999) machteloos was en het militaire werk door de Amerikanen moest laten opknappen. Na die laatste ervaring werd op de EU-conferentie van Helsinki het plan gelanceerd voor de oprichting van een Europese interventiemacht van 60.000 man die in 2003 klaar zou moeten staan. Die datum is inmiddels tien jaar vooruitschoven, een blamerend uitstel.

De benoeming van een Europese minister van Buitenlandse Zaken is dan ook een van de minder aantrekkelijke nieuwigheden in het Grondwettelijk Verdrag. Deze functionaris is ertoe veroordeeld de aandacht te vestigen op iets dat niet bestaat, namelijk een Europese buitenlandse politiek. Ook Mark Leonard, werkzaam bij het Londense Centre for European Reform, moet toegeven dat Europa lijdt aan `een gebrek aan assertiviteit op het wereldtoneel'. Zijn aanstekelijke Why Europe Will Run the 21st Century is echter niet gewijd aan de veelbesproken vraag wat er ontbreekt aan de EU, maar is juist een lofzang op de kwaliteiten van dit samenwerkingsverband. Deze voordelen zijn volgens hem zo vanzelfsprekend geworden dat ze niet meer op waarde worden geschat. Laten we ons eens voorstellen dat de EU niet bestond, schrijft hij. In wat voor Europa zouden we dan leven? Hij erkent dat in tijden van internationale crisis Brussel aan de zijlijn staat en de verdeelde regie in de nationale hoofdsteden ligt. Dat euvel betekent echter niet dat de EU alleen maar een economische ruimte zou zijn en als politiek project mislukt.

De Europese samenwerking is een historisch mirakel, het onverwachte product van een eeuwenlange geschiedenis van oorlog, nationalistische furie en wrede dictatuur. Dit wonderkind verdient het om vertroeteld te worden. Het Europa van de verzoening is een politiek succes van de eerste orde, zeker sinds het deze geslaagde pacificatie combineert met voortdurende expansie. Als zone van welvaart en harmonie verspreidt Europa zich als een olievlek van de politieke beschaving. Wie had vijftien jaar geleden durven dromen dat een land als Polen zich binnen korte tijd tot een geciviliseerde natie en volwaardig lid van de westerse gemeenschap zou ontwikkelen? Dat Turkije, net als Polen gestimuleerd door de ambitie EU-lid te worden, in snel tempo interne hervormingen doorvoert die dit land substantieel van karakter doen veranderen?

De Europese Unie, aldus Leonard, oefent een aantrekkingskracht uit die op meer berust dan de Brusselse subsidiepotten en andere materiële voordelen. Deze organisatie bestaat uit een gemeenschap van naties die het compromis tot hoogste beginsel van hun onderlinge omgangsvormen hebben verheven. De EU dwingt niemand om lid te worden, maar oefent de werking van een magneet uit door te dreigen naties uit te sluiten die zich niet aanpassen aan haar beschaafde normen van een democratie die minderheden respecteert en een markteconomie die functioneert binnen de regelgeving van de rechtsstaat. Europa mag dan falen als mogendheid die op het wereldtoneel een toonaangevende rol speelt, het is niettemin een imperium dat voortdurend zijn invloed uitbreidt. Het neemt naties op die er graag bij willen horen omdat ze anders het gevoel hebben tot de tweede rang te zijn veroordeeld.

Leonard betoogt dat het Europese model door zijn aantrekkingskracht de potentie heeft een stempel te drukken op de wereldorde van de eenentwintigste eeuw. Of dat optimisme gerechtvaardigd is, zal om te beginnen in Europa zelf moeten blijken. In de nabije toekomst staat de EU voor de immense taak haar periferie te integreren: van de Oekraïne en de Balkan tot aan Turkije. De stroomlijning van de besluitvorming, prominent aanwezig in de Europese Grondwet, is een minimumvoorwaarde om een nog grotere EU te laten functioneren. In een Europese Unie die zich blijft uitbreiden zullen wisselende coalities een normaal verschijnsel worden. Het gevaar van fragmentatie is reëel en wordt versterkt als de besluitvorming in de Europese Raad blijft verlopen volgens de onoverzichtelijke procedure die nu nog geldt.

Het Grondwettelijk Verdrag zegt niets over de uitbreiding van de EU, maar een politiek verband tussen deze twee is er dus wel degelijk, ook nog in een ander opzicht. Als dit verdrag wordt weggestemd, in Frankrijk of Nederland, raakt Europa niet in oorlog, maar wel in de politieke versukkeling. Er is jarenlang veel energie in dit project gestopt. Een afwijzing zal de cohesie, die na de Irak-crisis en de Frans-Duitse aanslag op het Solidariteitspact broos is, verder ondermijnen. Het voorspelbare resultaat bestaat uit een stagnatie die een positief besluit over verdere uitbreiding vrijwel onmogelijk maakt. Een Europese Unie die serieuze kandidaten de toegang ontzegt, knaagt aan haar eigen bestaansrecht.

Timothy B. Smith: France in Crisis. Welfare, Inequality, and Globalization since 1980.

Cambridge University Press, 296 blz. €60,08 (geb) €23,75 (pbk)

Hans-Peter Schwarz: Republik ohne Kompass. Anmerkungen zur deutschen Aussenpolitik. Propyläen, 352 blz. €20,– Mark Leonard: Why Europe Will Run the 21st Century. Fourth Estate, 170 blz. €16,65