Verlangens van een revolutionair

GENT. Ergens in maart, na de Kalahari woestijn, na een paar dagen sneeuw in Sils-Maria, na het huren van een nieuwe woning met twee badkamers in Dublin, na enkele treinreizen door Duitsland, na de romantiek dus, woonde ik in Gent een prijsuitreiking bij waaraan een diner vastzat. Wie een diner bijwoont heeft gezelschap nodig.

Ik heb vrij veel in mijn leven, een moeder, twee woningen, tegenwoordig een garderobe met bijbehorend personeel, een petekind, literaire prijzen alle erkenning is een oorvijg maar het gezelschap moet telkens opnieuw worden geregeld.

Je hebt gezelschap waarmee je denkt voor de dag te kunnen komen, en je hebt gezelschap, de ouders bijvoorbeeld of het eigen kind, dat je het liefst een leven lang geheimhoudt. Niemand mag het zien. Mochten er mensen op bezoek komen, wordt het in de regenton gestopt, en mocht het bezoek vragen: ,,Huilt daar een baby?'' dan antwoordt de gastheer: ,,Dat is de kat van de buren.''

Als mijn verblijf in Namibië me iets had geleerd dan was het wel dat ik het regelen van gezelschap met meer voortvarendheid ter hand moest nemen dan ik de afgelopen seizoenen had gedaan.

Een ware aristocraat zal van mening zijn dat leven iets voor de knechten is – mij bekruipt ook geregeld om vijf uur in de ochtend een gevoel van, ik heb weer genoeg geleefd – wie met zichzelf zit opgescheept wordt een gesloten systeem. Alles wat gedacht wordt is waar, in elke glasscherf ziet men een wapen.

Aan de organisatoren van de literaire prijs liet ik weten dat ik bereid was te komen, mits ze een ticket zouden regelen voor juffrouw Sigi uit Wenen die me in december 2003 in Tanzlokal Jenseits in Wenen had verteld over de violisten en de nazi's in haar leven en die me een jaar later had ingelicht dat liefde betekende dat je iemand accepteerde zoals hij was. In mijn geval betekende dat, zei ze, de dienstregeling accepteren.

Fidel Castro schijnt gezegd te hebben: ,,De revolutie is een trein. Op sommige stations stappen mensen in, op sommige stations stappen mensen uit en op sommige stations stopt de trein helemaal niet.'' In die revolutie kon ik mij goed herkennen.

De organisatie liet weten geen bezwaren te hebben tegen het bekostigen van een ticket voor juffrouw Sigi en een paar uur voor mij arriveerde ze in Gent. Ik was nog in Amsterdam bezig een Belgische thrillerschrijver uitspraken te ontlokken waarvan hij hopelijk spijt zou hebben. De enige waardevolle uitspraken zijn de uitspraken die je betreurt.

Als sprookjesverteller op de Nederlandse televisie heb ik mijn best gedaan de revolutie van het ongeluk (Ongeluk voor iedereen! Illusieloosheid voor de massa! Somberheid voor een vriendenprijs! Het celibaat voor atheïsten!) te verspreiden, maar het zit de revoluties nergens mee, ook niet in de Randstad.

Juffrouw Sigi wandelde dus alleen door Gent. Terwijl ik nog wat persoonlijk getinte historische plekken in Amsterdam voor weer een ander televisieprogramma moest bezoeken.

Mijn revolutie was een tandradtrein. Hij ging zo langzaam dat mensen nog tijdens het rijden in- en uit- konden stappen.

Nu was Paul Rosenmöller ingestapt. Met een geluidsman, een cameravrouw en een regisseur. Nadat hij Ruud Lubbers en prinses Irene had onderzocht, was het mijn beurt de revolutie persoonlijk toe te lichten.

Liefde is mooi, maar een camera is beter. Zodra het rode lampje brandt verdwijnt de eenzaamheid en wat je in je handen hebt is solide en warm als een stuk staal: het kijkcijfer.

Een uur voor aanvang van het diner arriveerde ik in Gent. Juffrouw Sigi zat op mijn hotelkamer, had een bad genomen en was gekleed voor wat slordig gerookte zalm. Sinds december hadden wij elkaar niet meer gezien, maar aangezien liefde de ander aanvaarden is, begreep zij dat een revolutionair niet altijd tijd kan maken voor strikt persoonlijke verlangens. Wat is de waarde van een individueel verlangen als je weet dat de massa snakt naar illusieloosheid? En wat verlangt er eigenlijk in het individu? Wie bestuurt dat verlangen?

Wij kusten elkaar vluchtig en ik opende mijn koffer op zoek naar het zijden overhemd dat ik voor de gelegenheid had aangeschaft. Elke revolutie heeft haar eigen garderobe. En een sprookjesverteller weet dat een aardig bloesje de helft van het sprookje is.

Het diner van de prijsuitreiking was groots aangepakt, qua aantal bezoekers. Tussen de wereld van de diplomatie en de wereld van de literatuur zit nauwelijks verschil. Het vieren van Koninginnedag op het consulaat te Kaapstad of het uitreiken van een prijs voor het beste boek van de maand juni: de bitterballen zijn eender, de tafelgesprekken ook.

Nog voor het dessert werd de uitreiking bekendgemaakt. Aangezien ik niet won, zadelde ik zoals een revolutionair betaamt mijn tafeldame met mijn woede op, want liefde is de ander accepteren of het is geen liefde. ,,Jij brengt mij ongeluk'', zei ik. ,,Jij voert mij naar de ondergang.''

Juffrouw Sigi wist dat een revolutionair ondergang nodig heeft en welke gedaante kan die beter aannemen dan die van een Weense dame die op de voet wordt gevolgd door huidkanker en het bruine verleden van haar familie.

Maar op de hotelkamer bekroop de hoffelijkheid mij weer.

Paul Rosenmöller was op het idee gekomen met mij naar Berlijn, waar mijn moeder heeft gewoond, en vervolgens naar Auschwitz, waar mijn moeder eveneens heeft gewoond, af te reizen.

Mijn taxi komt mij morgenochtend om 6 uur halen, zei ik tegen Sigi. We hebben elkaar niet lang gesproken, maar als je zin hebt kun je wel mee naar Auschwitz.

Ik verkeerde in het volste vertrouwen dat juffrouw Sigi zou zeggen ,,dank je wel voor dit reusachtige aanbod, maar ik moet maandagochtend stipt om 9 uur op kantoor zijn''.

Ze zijn niet te vertrouwen, de Oostenrijkers, dat bleek maar weer. Juffrouw Sigi zei: ,,Dat lijkt me leuk. Ik heb zekerheidshalve vier, vijf onderbroeken ingepakt, ik neem altijd te veel mee.''

Ik probeerde nog diplomatiek enig voorbehoud te verwoorden. ,,Ik weet niet hoe Paul Rosenmöller het vindt als ik iemand uit Wenen meeneem.''

Maar juffrouw Sigi antwoordde: ,,Ik loop niemand voor de voeten.''

Balzac ontmoette in Neuchâtel de rijke gravin Eva von Hanska. Jarenlang wachtte Balzac tot de graaf zou sterven, opdat hij eindelijk met Eva samen zou kunnen zijn. Hij schreef als een bezetene om de gravin ook financieel waardig te zijn. Mei 1850 betrad de gravin eindelijk als Balzacs echtgenote zijn woning in Parijs. Een paar weken later stierf Balzac.

Je moet de liefde niet consumeren, maar wachten, wachten en nog eens wachten, tot ze verwelkt is. Dat is les 1 van illusieloosheid voor de massa.

Denkend aan Balzac en Eva von Hanska installeerde ik mijn laptop en kocht een ticket voor juffrouw Sigi voor zondagochtend van Amsterdam naar Berlijn.

,,Ben je eigenlijk wel eens in Auschwitz geweest?'' vroeg ik.

,,Nee'', zei ze, ,,alleen in Mauthausen''.

Daarna deed ik het licht uit, want we konden nog maar drie uur slapen.

Juffrouw Sigi streelde mijn been, maar ik deed alsof ik al sliep. Het laatste wat er over is aan romantiek is de onthouding.

Bovendien voelde ik geen lust en je moet jezelf nooit dwingen.

Voordeel van ons vroege vertrek was dat wij geen vertegenwoordigers van het kleurloze ras der hedendaagse literatoren noch de knechten die geld verdienen aan dit ras hoefden te ontmoeten in de hotellobby.

Wij moesten naar Schiphol, een uur of twee rijden.

Paul Rosenmöller zou met zijn team in de vertrekhal op mij wachten. Van de komst van juffrouw Sigi had ik hem nog niets verteld. Ik verras mensen graag.

Zin in de uitstap naar Auschwitz had ik niet echt.

Juffrouw Sigi zat naast me en staarde naar de mist. Ze had gezegd: ,,Wat er ook gebeurt. Ik blijf. Je kunt ook in je eentje van iemand houden.''

Als hedendaagse idealist kon ik wel waardering opbrengen voor mensen die de revolutie trouw blijven.

WORDT VERVOLGD