Spreken na de suïcide

Als je vader, moeder, broer of zus zelfmoord heeft gepleegd, wat moet je dan? Er nooit meer over praten, zoals de meeste mensen doen? Bevrijd ademhalen, maar toch zachtjes van binnen blijven huilen, zoals de schrijver Arthur Japin, die veelvuldig werd gepest, deed na de suïcide van zijn vader? Of na jaren stilzwijgen alsnog razend worden omdat je broer je in de steek liet, zoals Wouter van Oorschot (1952) het met terugwerkende kracht beleeft? Diens broer Guido doodde zichzelf op zijn negentiende; Wouter was toen elf jaar oud.

Joost Zwagerman (1963) presenteert in Door eigen hand een rijk geschakeerd overzicht van de literatuur op het gebied van zelfmoord, met het accent op nabestaanden die dat in hun prille puberteit meemaakten. Behalve Japin en Van Oorschot, laat Zwagerman zijn collega-schrijvers Heleen van Royen en Renate Dorrestein aan het woord die pas na jaren hun mond open doen over dit gezinsdrama. Zelf is Zwagerman ervaringsdeskundige. Zowel een vriend als zijn vader probeerde een eind aan hun leven te maken.

Zwagerman schreef zijn boek grotendeels uit ergernis. Over zelfmoordlobbyisten zoals Karin Spaink die zelfmoordenaars hun gang willen laten gaan. `Het recht van de kandidaat-zelfmoordenaar weegt in Nederland zwaarder dan de plicht zo'n zelfmoord te voorkomen of in ieder geval in praktisch opzicht te bemoeilijken.' Zelf benadrukt hij liever het recht op hulp.

Met zijn andere stelling heb ik echter grote moeite. In tegenstelling tot de schrijver Jeroen Brouwers – expert in schrijver-zelfmoordenaars met De laatste deur (1983) en De zwarte zon (1999) – die meent dat we over zelfmoordenaars niet moeten oordelen, vindt Zwagerman dat nabestaanden recht hebben op woede. In plaats van de zelfmoord van een gezinslid te aanvaarden en in die laatste daad te berusten, vindt hij dat nabestaanden erkenning verdienen voor hun gevoel van onmacht, schuldgevoel, onbegrip en het gevoel moedwillig in de steek gelaten te zijn.

Moedwillig? Hoezo? Alsof de schrijver even vergeten is wat de Amerikaanse auteur Andrew Solomon (1963), die een drietal depressies doormaakte, over depressies noteerde in The Noonday Demon. An Atlas of Depression (2001). Volgens Solomon is zelfmoord meer een reactie op angst dan een oplossing van een depressie. Zelfmoordenaars tobben met een wurgend schuldgevoel en voelen zich slachtoffer van een gemartelde geest. In zo'n toestand is ieder begrip en gevoel voor je omgeving verstoord geraakt, laat staan dat je moedwillig iemand een hak wil zetten of in de steek laat. Laten we inderdaad maar niet oordelen over zelfmoordenaars.

Dit laat onverlet dat Door eigen hand fijnzinnige observaties bevat. Amos Oz vertelt over de zelfmoord van zijn moeder, die hem `midden in een zin' verliet. Hij was twaalf toen zijn moeder uit het leven stapte. Vond ze hem misschien dom en maakte ze een eind aan haar leven uit schaamte en ontevredenheid over hem? Ontroerend is wat Arthur Japin vertelt over de zelfmoord van zijn vader. Hij zegt alleen aan hem te denken als iemand naar hem vraagt. Je wilt hem wel geloven, maar het is natuurlijk niet waar. Twee dagen na het interview met Zwagerman stuurt hij nog een e-mailbericht, waarin hij bekent dat hij ineens moest denken aan de speurtochten die zijn vader elke zomer voor hem uitzette in het bos. Samen in de Haarlemmer Hout speelden ze dat ze twee eekhoorns waren.

Japin is blij met deze herinnering. Na alle woede en teleurstelling blijkt Door eigen hand toch ineens weer te gaan over gemis dat nooit eindigt.

Joost Zwagerman: Door eigen hand. De Arbeiderspers, 150 blz. €14,95