Schröder houdt meer van kerststol

De kans is reëel dat de Europese Grondwet in een of meer landen zal worden weggestemd. De bemoeizucht van Brussel, het slinkende vertrouwen in de politiek, de dure euro, het snelle tempo van de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten en de angst voor machtsverlies en sociale achteruitgang geven blijkbaar genoeg stof voor stemmingmakerij tegen Europa. Onduidelijk is wat een `nee' tegen de grondwet zal betekenen.

Wie geïnteresseerd is in de vraag wat er allemaal is misgegaan met Europa, komt in het informatieve en onderhoudende, maar nogal pessimistische boek De Europese onmacht van Ben van der Velden, ruim aan zijn trekken. Uit de talloze gesprekken – die hij als politiek correspondent van deze krant in Brussel met politici en diplomaten heeft gevoerd – rijst een somber beeld op van een politiek onmachtig Europa dat eerder beheerst wordt door het najagen van nationale belangen dan door een gemeenschappelijke toekomstvisie. Van der Velden legt met gevoel voor geestige details en anekdotes uit wat de hoofdrolspelers voor en vooral achter de schermen (tijdens diners en lunches, in hotelkamers en zelfs op toiletten) voor politiek hebben bedreven en dat is niet altijd even vleiend. Zo begreep de onverstaanbare Commissievoorzitter Romani Prodi weinig van Europa, is Jacques Chirac een ongeleid projectiel, ziet de immer lachende Tony Blair in Europa louter een vrijhandelszone en houdt Gerhard Schröder meer van kerststol dan van Brussel. Ook de beschrijving van vooraanstaande eurocommissarissen, de haperende as Parijs-Berlijn, de afwachtende houding van Groot-Brittannië, de bureaucratische macht van Brussel en het vrij machteloze europarlement geeft ons een weinig vrolijk kijkje in de vaak moeizame besluitvorming en achterkamertjespolitiek. Men leest over de perikelen rond Wim Duisenberg, de aarzeling van Wim Kok om Commissievoorzitter te worden, de blokkade van Ruud Lubbers' benoeming door Helmut Kohl, de ruzie tussen Hans Eichel en Gerrit Zalm en het eenzame optreden van Frits Bolkestein als eurocommissaris.

De grondwet, of beter, het nieuwe basisverdrag, is volgens Van der Velden een verwaterd compromis en onnodig ingewikkeld. Een `ja' zal de politieke onmacht van Europa niet opheffen. Er is niet alleen sprake van een democratisch tekort – het Europese parlement heeft nog steeds te weinig te zeggen – maar ook van een bestuurlijk en politiek tekort: eindeloze discussies en hoogoplopende ruzies tijdens Europese topconferenties, zoals in Nice, en vooral bij een diner in Biarritz in oktober 2000, waarbij de grote en ook kleine landen elkaar in de haren vlogen over de machtsverhoudingen en verdeling van de stemmen. De positie van de Europese Commissie is verzwakt door de toenemende macht van de regeringsleiders en ook door het Europese Parlement, zoals bleek uit het gedwongen aftreden van de Commissie van Jacques Santer in 1999 en het terugtreden van eurocommissaris Rocco Buttiglione vorig jaar.

De oorzaken van deze politieke onmacht moeten verder gezocht worden in de uitbreiding van 15 naar 25 lidstaten waardoor de kans op een sterk politiek Europa verkleind is, meent Van der Velden. De nieuwe lidstaten in Oost- en Midden-Europa willen hun herwonnen soevereiniteit niet kwijtraken aan een politiek sterk Europa, blij als ze zijn eindelijk van Rusland bevrijd te zijn. Zij zien de Europese Unie vooral als een economisch project dat welvaart brengt, en dat geldt ook voor Turkije. Verder blijft Europa militair afhankelijk van de Verenigde Staten en de NAVO, zoals is gebleken tijdens de Balkancrisis. Daarnaast heeft de Irakoorlog als een splijtzwam in Europa gewerkt. Het eigenzinnige anti-Amerikaanse optreden van Schröder werd vooral door binnenlands-politieke en economische overwegingen ingegeven.

Het fundamentele probleem voor Europa is dat er geen Europese staat of regering bestaat, er geen Europese politieke partijen zijn en dat er dus een echte legitimiteitsbasis voor de bevolking ontbreekt. Dit verklaart ook de scepsis en desinteresse van veel Europeanen voor wat er in Brussel gebeurt en versterkt ook het wantrouwen tegen de kleine elite van politici, diplomaten, bureaucraten en lobbyisten die van bovenaf regeert en dicteert. Tegelijkertijd zal er niet snel een federatief Europa of een Europese superstaat ontstaan.

Van der Velden heeft gelijk dat Europa onoverzichtelijker en moeilijker bestuurbaar is geworden, maar hij gaat te ver in zijn pessimisme. Wat er met de Grondwet gebeurt, zal afhangen van de interpretatie ervan. De feitelijke machtsverhoudingen worden niet in verdragsteksten geregeld, maar zijn, zoals hij terecht schrijft, gebaseerd op politieke en economische macht, diplomatieke tradities en psychologisch overwicht. Bovendien zal degene die de Grondwet leest, zien dat er wel degelijk een aantal verbeteringen wordt ingevoerd die Europa in de toekomst democratischer en bestuurbaarder kunnen maken: het parlement krijgt meer te zeggen en ook de eerste aanzetten tot een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid zijn zichtbaar. Het is jammer dat Van der Velden in zijn slotbeschouwing de herkomst van de politieke onmacht en een eventuele verbetering van de situatie in de toekomst onvoldoende in een historisch kader plaatst. Misschien is dat te veel gevraagd van een correspondent die zelf onderdeel uitmaakte van al die `vrolijke bijeenkomsten'. Door acht jaar Brussel is Van der Velden duidelijk euroscepticus geworden. Europa mag volgens hem weliswaar politiek onmachtig zijn, het blijft een uniek project in de geschiedenis dat eigenlijk zonder alternatief is.

Ben van der Velden: De Europese onmacht. Scènes uit de achterkamers van de Europese Unie. Meulenhoff, 288 blz. €18,50