Pas op: ze hebben Freya

Als morgenochtend vroeg de elektriciteit in heel Nederland uitvalt, breekt er binnen enkele dagen een enorme chaos uit. Telefoons, radio en televisie werken niet meer, computersystemen zijn down, auto's, treinen en vliegtuigen staan stil en winkels worden niet meer bevoorraad, al maakt dat weinig uit, want er kan toch niemand meer bij zijn geld komen. In een periode van minder dan honderd jaar zijn we volledig afhankelijk geworden van elektronen die door draadjes schieten. Hoe het zo ver heeft kunnen komen is nu beschreven door de Amerikaanse auteur David Bodanis. Aan de hand van een aantal sleutelfiguren schetst hij de uitvinding en ontwikkeling van de belangrijkste elektrische apparaten: van de telegraaf en de telefoon via radar en radio naar de computer, om te eindigen met een bijzonder boeiend, zij het enigszins uit de toon vallend hoofdstuk over elektriciteit in het menselijk lichaam.

Bodanis begint zijn verhaal in 1830 in de Verenigde Staten – met Joseph Henry die als eerste een elektromagneet vervaardigde. Door daarmee te beginnen slaat hij wel een cruciaal deel van de ontwikkeling van de elektriciteit in Europa over: Ampère, Volta en Galvani komen er dus bekaaid van af. Maar dat zijn dan ook de enige namen die ontbreken. En al is het verhaal dat hij wil vertellen verder bekend, het is toch prettig om met Bodanis als leidsman de draad ervan te volgen. Hij weet het onder meer boeiend te houden door in de manier van vertellen te variëren: zo beschrijft hij de ontdekking van elektromagnetische golven aan de hand van dagboekfragmenten en brieven van Heinrich Hertz. Een later hoofdstuk is weer een jongensboekachtig verhaal over de aanval op een Duits kamp in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog waarbij cruciale radartoestellen werden buitgemaakt.

Niemand geloofde aanvankelijk dat de Duitsers over zo'n geavanceerd radarsysteem beschikten. Toen echter in onderschepte radioberichten herhaaldelijk de naam Freya viel, kreeg een analist van de geheime dienst argwaan. Hij wist dat Duitsers dol waren op Arische mythen, en hij kende Freya als een oude Noorse godin die altijd vergezeld werd door Heymdall. Om haar te kunnen bewaken had deze het vermogen gekregen om duizenden kilometers ver te kunnen zien. Die aanwijzing was voldoende om speciale verkenningsvluchten te laten uitvoeren die de zeer compacte, verrijdbare installaties van de nazi's aan het licht brachten.

Bodanis is op zijn best in dit soort anekdotes. Ook schitterend is het meer biologische, laatste deel over de werking van zenuwen. Daarin geeft hij in een paar bladzijden een glashelder betoog over natriumpompen, synapsen en neurotransmitters. Minder goed brengt hij het er vanaf wanneer hij ingewikkelde natuurkundige begrippen en concepten uiteenzet. Dan gaat Bodanis in zijn drang om te populariseren af en toe erg ver. Zo is het nauwelijks voorstelbaar dat zijn beschrijving van het weerkaatsen van lichtstralen op een metalen spiegel waar ladingen door elkaar worden geschud zodat oeroude metaalatomen een verzameling radargolven gaan uitzenden, de gemiddelde lezer veel méér inzicht biedt in dit verschijnsel. Dat soort uitweidingen zijn volstrekt onnodig en voegen niets toe aan een op zichzelf onderhoudend verhaal.

David Bodanis: Het Elektrisch Universum. Een Geschiedenis van de Elektriciteit. Uit het Engels vertaald door Robert Vernooij. Ambo, 234 blz. €19,95