Oudjes

Vroeger nam ik souvenirs mee van mijn buitenlandse reizen, tegenwoordig denk ik eerder – om niet achter te blijven bij premier Balkenende – in termen van normen en waarden. Heb ik nog iets gezien waar we in ons benarde landje wat aan zouden kunnen hebben?

Op het gebied van de veiligheid hoeft de toerist zich in Napels niet ongeruster te maken dan in Amsterdam, dat wil zeggen: er kan je altijd wat gebeuren, maar het risico is minder groot dan we elkaar aanpraten. Wat betreft luchtvervuiling en lawaai zou ik Amsterdam daarentegen niet graag inruilen voor Napels.

In de intermenselijke betrekkingen deed ik nog wel enkele ervaringen op die ik graag doorgeef voor wat ze waard zijn. Generalisaties vallen er niet aan te ontlenen, hooguit mijn waarneming dat ik zoiets in Nederland zelden of nooit meemaak.

Op een warme zondag zat ik in het boemeltreintje van Sorrento naar Napels. Een reis van vijf kwartier met minstens twintig haltes. Het liep tegen het einde van de middag en de trein was overvol van terugkerende badgasten. Je zou het kunnen vergelijken met de metro bij een belangrijke thuiswedstrijd van Ajax. Veel uitgelaten jongens ook met hormonen die op het strand overprikkeld waren geraakt.

Het was snikheet in de coupés en een van die drukke jongens, die in het gangad stonden, probeerde verkoeling te brengen door een raampje omlaag te trekken. Hij vroeg niemand toestemming, het was voor hem een recht dat hem toekwam. Tegenover mij zat een bejaard echtpaar. De man drukte al steeds een papieren zakdoekje tegen zijn mond om het stof uit zijn beproefde bronchiën te weren, de vrouw knoopte angstig haar vest dicht. Het leek mij beter het raam weer te sluiten, het tochtte al genoeg in die coupé.

Ik kwam in actie, ook zonder de jonge Italiaan om toestemming te vragen. Hij keek me eerst verbijsterd, toen giftig aan. Ik zag me al bijgezet worden op een dodenakker in Pompeji, we waren daar toch in de buurt en ze hebben er ervaring genoeg met plotselinge sterfgevallen. Op het moment dat hij mij leek aan te vliegen, zei die oude vrouw iets tegen hem. Wát weet ik niet, maar het klonk even bedaard als beslist. Ze verroerde verder geen vin, ze keek hem zelfs nauwelijks aan.

Het effect was opmerkelijk. De jongen protesteerde niet, liet het raam dicht en draaide zich om.

Het is inmiddels avond en we lopen rond op de Piazza Dante, een plein aan de drukke Via Toledo. Achter het standbeeld van Dante loopt een oud Napolitaans heertje, keurig in het blauw-grijze pak met bijpassende stropdas. Zijn schoentjes zijn een beetje stoffig – ja, er is veel stof in Napels – en hij maakt ze schoon met een tissue, die hij daarna netjes in een afvalbak deponeert.

Dan kijkt hij op. Even verderop zijn straatjongens uit de aangrenzende Spaanse wijk met elkaar aan het matten. Er worden felle tikken uitgedeeld. Het oude heertje stapt er gedecideerd op af en spreekt op scherpe toon enkele vermanende zinnen uit. De jongens binden onmiddellijk in en druipen af naar hun wijk.

Zou het met deze twee oudjes in Nederland ook zo goed zijn afgelopen? Ik weet het niet, ik vraag het maar.