Ongewone communist

Het was een ongekende gebeurtenis: oud-communistenleider Charílaos Florákis, die zondag op 90-jarige leeftijd overleed, kreeg een massale maar niet-kerkelijke begrafenisplechtigheid op het hoofdkwartier van zijn partij en werd een dag later, ook zonder priesters, ter aarde besteld op een zelfgekozen plek dichtbij zijn bergachtige geboortedorp in Centraal-Griekenland. ,,Een eenvoudig graf met uitzicht, maar wel ommuurd, zodat de geiten me niet kunnen opgraven.''

Vooral de plechtigheid van woensdag was historisch gezien opvallend. Rode vlaggen waren ver in de meerderheid boven Griekse, de baar was voor tweederde bekleed met rood en slechts voor eenderde met het Griekse blauw-wit. Maar aanwezig waren alle hoogwaardigheidsbekleders van de republiek: president, premier met ministers, parlementsvoorzitster (het parlement bleef een dag dicht), alle partijleiders en de nestor van de Griekse politiek: Konstandínos Mitsotákis met zijn dochter Dora Bakoyánni, de burgemeester van Athene.

Componist een groot vriend Mikis Theodorákis (80), zelden nog in de openbaarheid, was er ook. Veel van de muziek was van hem, verder waren er klaaglijke klarinoklanken uit Florákis' geboortestreek, maar ook partizanenliederen die nog verboden waren onder de eerste regeringen van Konstandínos Karamanlis (1955-1963).

het leverde een groot contrast op met de jongere jaren van Florákis. Tijdens bezetting en burgeroorlog (1946-1949) was hij een ruige partizanenleider onder de naam kapitein Yótis. Naar Moskou uitgeweken, keerde hij illegaal terug in zijn land waar hij werd gearresteerd en in 1960 ter dood werd veroordeeld, onder andere omdat hij tot 1951 met zijn partij had geijverd voor een onafhankelijk Macedonië en Thracië. Politieke doodstraffen werden na 1959 niet meer voltrokken en in 1966 kwam hij vrij, maar precies een jaar later werd hij door de kolonelsjunta opnieuw gegrepen en voor zes jaar gedeporteerd.

Over het gevoelige onderwerp Macedonië werd in de talloze lofredes die hem de laatste dagen ten deel vielen geen woord meer gezegd. Iedereen prees de wijze waarop hij als leider van de KKE, de oudste partij van Griekenland, had gefunctioneerd nadat die in 1974 onder Karamanlis senior was gelegaliseerd. En dan dacht men vooral aan het jaar 1989 waarin hij zich had geleend voor een coalitieregering met de conservatieve Nieuwe Democratie. Het kwam toen ook tot een tijdelijk samengaan met een kleine linkse partij.

In 1991 moest `grootvadertje', zoals veel Grieken hem noemden, als partijleider plaats maken voor de huidige secretaris-generaal, Aléka Paparíga, onder wie weer een verstarring intrad. Florákis, die door zijn beminnelijke en vaak boerse optreden grote populariteit verwierf, gaat de geschiedenis niet in als de man die een rol speelde bij de barre partijzuiveringen in de jaren '40 en '50, maar als politicus die een monsterverbod met rechts aandurfde. Juist daarmee droeg hij bij aan normalisatie en wortelschieten van het parlementaire stelsel in Griekenland.