Niets is opgewassen tegen de leegte

Als klein jongetje zat Louis Couperus doodsbang in een donkere Indische badkamer. De resonantie van die angst maakt `De stille kracht' tot een visionaire roman.

Waar je het bangst bent: voor mijzelf was het een vliegtuig ergens boven Siberië, voor Louis Couperus was het in de badkamer in Indië. Als jongetje, schrijft hij in een van zijn feuilletons, was hij doodsbang wanneer hij 's avonds zijn tweede bad moest nemen. Je ziet het voor je: een klein jongetje dat door de donkere tuin loopt, met boven hem de donkere schimmen van vleermuizen. Even later: bloot, rillend in het donker, zich zo gauw mogelijk inzepend en afspoelend en dan vlug, vlug kleren aan en terug.

Indië was voor Couperus mysterie, maar het was ook naakte angst – de angst omringd te zijn door een peilloos, ongrijpbaar universum. Nergens voelde hij dat zo sterk als in de Indische badkamer; bij een later bezoek, het bezoek dat zou leiden tot het schrijven van De stille kracht, had hij er nog een bovennatuurlijke ervaring. Toen hij, een man nu en gearriveerd schrijver, de badkamer wilde binnengaan, zag hij een in het wit geklede figuur vóór hem naar binnengaan. Hij dacht dat het een bediende was, die de handdoeken wilde klaarleggen. Maar toen hij de badkamer inging, bleek de witte figuur – een hadji? – verdwenen. De enige andere deur in de badkamer bleek van binnen vergrendeld. Nog jaren later, in 1917, kwam Couperus terug op het onverklaarbare incident; hij tekende er zelfs een plattegrondje van de badkamer bij, om zijn lezers ervan te overtuigen dat het echt heel vreemd was.

Die badkamer vormt ook het duistere hart van De stille kracht. Het is de plaats waar het lichaam van Leonie van Oudijck, eerder in de roman beschreven als een tempel, ontheiligd wordt en later brengt Van Oudijck, wanneer zijn huis geplaagd wordt door goena-goena, er met enkele ondergeschikten een angstige nacht door om het raadsel te ontmaskeren: `Ze bleven er de gehele nacht. En de gehele nacht bleven afgezet en omsingeld erf en huis. Tegen vijf uur kwamen zij eruit, en namen dadelijk, gezamenlijk, een zwembad. Over wat hun gebeurd was, spraken zij niet, maar hun nacht was verschrikkelijk geweest. Nog de volgende morgen werd de badkamer omvergehaald.' (blz. 190)

Alles wat verheven wil zijn, wordt in De stille kracht ontheiligd en besmeurd. Het huis van de resident, met zijn `paleisportaal' valt ten prooi aan geheimzinnige krachten, de `tempel' voor de kunst die Eva Eldersma van haar woning wil maken, verkruimelt waar ze bij staat: `En geheel de esthetische filosofie, waarmede zij eerst zich geleerd had van Indië te houden, te waarderen het goede in Indië, te zoeken ook in Indië naar de mooie lijn, uiterlijk, en naar inwendige mooi, van ziel, was niet meer bestand tegen het stromen van het water, tegen het uiteen kraken van haar meubels, tegen het vlakkig worden van haar japonnen en handschoenen, tegen al de vocht, schimmel en roest, die haar bedierf haar exquise omgeving, die zij om zich heen als troost had ontworpen, geschapen, als troost voor Indië.' (blz. 145) Wanneer Eva aan het eind van de roman, ziek en gedesillusioneerd, naar Batavia gaat, treft ze een dodenstad aan, een `mausoleum in het groen.'

De stille kracht is een visionaire roman. Niet omdat Couperus de onafwendbare ondergang van het Nederlandse koloniaal bewind voelbaar maakte – dat is heel knap, maar als dat het enige was, zou zijn roman nu niet meer dan een interessant curiosum zijn – maar omdat het de angst van het blote jongetje in de badkamer laat resoneren in het verhaal van een groepje mensen in een wezensvreemd landschap. De Hollandse personages in Laboewangi leven allemaal in hun eigen wereld, hun blik is hopeloos beperkt: de resident kan de wereld alleen zien vanuit zijn hooggestemde opvattingen en zijn rationalisme, zijn vrouw Léonie zit opgesloten in haar erotische obsessies, Eva Eldersma is vastbesloten Indië als een kunstwerk te zien – en wat voor de westerlingen in Laboewangi geldt, geldt voor de Nederlanders in Indië. Eva, het personage dat volgens mij het dichtst bij Couperus zelf staat, is de enige die dieper kijkt: `Eigenlijk is het leven toch één zelfbedrog, één dwalen in illusie, dacht zij droef, melancholiek. Een groot doel, een werelddoel of een klein doel voor zichzelf, voor zijn eigen lijf en ziel O God, wat is alles weinig! En wat dwalen wij rond, zonder iets te weten. En elk zoekt zijn eigen doeletje, zijn illusie.' (blz. 74)

Dat inzicht is niet bevrijdend voor haar; ze belandt in een depressie, waarin de zinloosheid van alles zich dreigend aan haar opdringt: `waarvoor alles; waarvoor de wereld en de mensen en de bergen; waarom al dat kleine dwarrelen van leven?' (blz. 152)

Het is `het antwoordloze waarom' dat uit Couperus laatste grote, onderschatte roman Iskander als een groot en dreigend vraagteken oprijst. Je kunt heel het werk van Couperus zien als een artistieke poging dat visioen van nietigheid ongedaan te maken. Net als Eva zocht ook de schrijver zijn toevlucht in zijn gevoel voor schoonheid – het leverde zijn slechtste boeken op – net als Eva begreep hij uiteindelijk dat ook de kunst niet was opgewassen tegen de leegte, de duisternis die het kind in de badkamer omringde.

Geen wonder dat in de jaren dertig, ruim na zijn dood, nog door christenen tegen Couperus werd gewaarschuwd: niet omdat hij vunzig zou zijn, of verwijfd, of decadent, maar omdat hij te somber was. Vergankelijkheid is zijn grote thema, het onherroepelijke verdwijnen van alles, niet alleen van het westerse kolonialisme, maar ook van de grootsheid van de inlandse vorsten, het wellustige vlees van Léonie, alle plannen en goede bedoelingen, alle hartstochten en verraad en haat – het gaat allemaal hopeloos voorbij.

Volgende week in de Leesclub: Arnold Heumakers over de plaats van `Het stenen bruidsbed' in het oeuvre van Harry Mulisch