Lekker weg in eigen hoofd

Wanneer ga je een dichter volgen? Als hij je geraakt heeft. In 1997 las ik een gedicht van een dichter die ik nauwelijks kende. Hij heette Ingmar Heytze (1970) en zijn gedicht `Vos onder ijs'. Het beschreef de vondst van een in het water ingevroren vos. Het dier keek de dichter vanuit het ijs aan, met `twee glazen ogen' en met open bek, `alsof hij zo omhoog zou springen.' Een braaf embleem van stilstand en beweging, maar verrassend was dat Heytze daarna zijn eigen gedicht in dook. Eerst door zich te vereenzelvigen met de arme vos, en daarna door zich als dichter met het dier te vergelijken: vast in het ijs, vast in het papier, niet meer met de mond kunnen spreken, alleen, gevangen op het moment van bevriezen. `Het is eenzaam. Aan deze kant./ Van het papier./ Het is zo eenzaam hier.'

Het is op het randje: het randje van het goedkope sentiment en de goedkope smart. Het randje van de geloofwaardigheid: wie heeft er ooit in het echt een vos in het ijs zien zitten? Het randje van het al te zwaarmoedige: dichten is sterven, pas in de dood kan de de dichter spreken. Maar al die randjes zocht Heytze hier doelbewust op. Uit de rest van zijn debuut De allesvrezer (1997) bleek dat hij ook graag de uitweg van de kwinkslag zocht, de goede grap, het vlotte podiumsucces, maar daar koos hij nu niet voor. Dat nam mij voor hem in. Het vosgedicht gaf mij het gevoel oog in oog te staan met een dichter, met al zijn vrezen, zoals de dichter zelf oog in oog stond met die vos in doodsnood – en hij liep er niet voor weg. Dat was het moment waarop ik door Heytze geraakt werd. En dat moment bepaalde ook mijn blik op wat hij daarna zou gaan schrijven.

Ik zie er, bij alle grappen en grollen, toch vooral het oeuvre van een beklemde dichter in: iemand die niet vast wil komen te zitten, maar door te dichten zichzelf steeds weer dwingt om zich vast te zetten. Ook in zijn tweeede bundel, Sta op en wankel (1999), staan de nodige luchtige gedichten. Bijvoorbeeld een luimige parodie op het beroemde gedicht `Jonge sla' van Rutger Kopland, op de wijze van de Raggende Manne, onder de titel `Warme stront': `Ik kan een hoop hebbe,/ modder op me pijpe,/ kots op straat, een portiek/ met naalde stamp ik met droge oge/ doorheen, daar ben ik/ werkelijk hard in.// Maar hondenstront in oktober,/ net gelegd, warm nog,/ onder me zole, nee!' Daarnaast staat een volledig serieus vers dat wel bedoeld lijkt als een herschepping van het ijsvosgedicht. Het gaat over een ooit in het ijs vastgevroren mammoet, die zich sprekend tot ons richt en vertelt dat hij sinds zijn dood omhoogkijkt en `luistert naar de eeuwigheid'. Ook hier wordt de stilte en de leegte en de kou van de ijsgevangenis terloops vergeleken met die van een gedicht (dat gemaakt is van `bevroren inkt') en de bevroren mammoet met een dichter die zich in zwarte letters, omgeven door veel wit, in doorzichtige vormen heeft vastgelegd, voor iedereen te kijk, en er nu niet meer uit kan. Ook hier spreekt eenzaamheid en beklemming, zonder ironie.

IJsdichter

Zou Heytze in wezen een ijsdichter zijn? Je zou het haast denken als je verderop in zijn oeuvre opnieuw een gedicht aantreft dat zich onder het ijs afspeelt. `Onder het ijs is alles zwart', zo begint het. Zo moet het er daar uitzien: `Een licht plafond van stevig glas/ wordt dichtgekrast met trage slagen/ door de schaatsers op de plas./ Hun ijzers bonken als je hart.' Hier is iemand in een wak beland, maar de bijbehorende paniek blijft uit. Het naderen van de dood door verdrinking en bevriezing wordt als in een droom beleefd. Het verblijf onder water roept vergelijkingen op met het zweven in de baarmoeder. Is dat altijd zo als je in een wak belandt? Of alleen bij dit ene wakslachtoffer, die op grond van de titel (`De idioot in het wak') misschien niet helemaal goed bij zijn hoofd is, net als de idioot uit `De idioot in het bad', van Vasalis, waarnaar Heytze hier verwijst. Die onderging zijn wekelijkse bad in het gesticht, na aanvankelijk tegenstribbelen, elke keer weer als een terugkeer naar de veilige en warme moederschoot waarin hij zorgeloos als een ongeborene kon ronddrijven, alvorens weer ruw uit zijn droom te worden gewekt. Heytzes idioot in het wak zinkt weg in de ijskoude sloot en belandt dan in een warme wereld, met muziek, een vrouwenhand die door zijn haren gaat, geluk, en geen paniek. Maar net op het moment waarop wij denken dat hij daar mag blijven om door te reizen naar eeuwig hemels geluk, dient zich de redding aan. `Dan breekt een pikhaak door het ijs./ Je duwt hem weg, je wilt het niet./ Maar iemand trekt uit alle macht/ totdat je, blauw van spijt en pijn,/ opnieuw ter wereld bent gebracht.' De redding uit het wak, met een pikhaak, lijkt op een tangverlossing. Net als bij Vasalis stribbelt de idioot tegen, en net als bij Vasalis wil hij niet opnieuw geboren worden.

Mooi gedicht, mooi geval. Het laat zich niet goed vangen. Het is van begin tot eind onheilspellend. Het kan elk moment omslaan in zijn tegendeel. Hier spreekt doodsangst uit, maar misschien ook wel doodsverlangen. Is het eigen beleving, of de ingebeelde beleving van een idioot? En speelt op de achtergrond het gevaarlijke dichten nog mee? Ook hier spreekt misschien wel de vrees voor vastleggen, vlucht voor de werkelijkheid, levensangst.

Het klinkt allemaal erg serieus, en psychologiserend, voor een dichter die te boek staat als entertainer, leuke lolbroek, luchtige gangmaker. Dit is een `short rap' voor even tussendoor: `De grootste motherfucker/ is toch altijd nog je vader.' En dit is de beginregel van `My first Spam', uit Heytzes net verschenen zesde bundel Schaduwboekhouding: `Heytze Want A Bigger Penis?' Het is het eerste deel van een gedachteuitwisseling tussen Heytze en een aanbieder van penisvergrotingsmiddelen. In alle bundels van Heytze zijn dit soort tussendoortjes wel te vinden. Maar als je zijn zes bundels op een rij legt, dan valt op dat ze ver in de minderheid zijn. Eigenlijk is hij een tamelijk beschouwelijk en bezonken dichter, die zich over veel existentiële vragen buigt, en de ogen ook niet sluit voor de wereldpolitiek, en die daarnaast regelmatig dicht over de liefde, op de wijze van een moderne troubadour. Eigenlijk kan hij over alles dichten, al naar gelang een gelegenheid zich voordoet, en eigenlijk slaat hij in zijn gedichten alle denkbare richtingen in, al vanaf zijn debuut. Dat hij vaak `alleen maar' als een entertainer wordt gezien, komt waarschijnlijk door zijn lichte, toegankelijke, bijna journalistieke toon en door een wat bekrompen opvatting van entertainment bij de gemiddelde poëzielezer. Heytze in een interview: `Ik zie poëzie als entertainment, zowel op papier als in de voordracht. Vorm, inhoud en metaforiek moeten helder zijn. Mensen verslijten je dan al snel voor cabaretier, rapdichter of songwriter, maar dat is onzin.' Dat lijkt mij ook. De eisen die hij aan zijn poëzie stelt, zal hij ook aan zijn proza stellen – en dat verklaart waarom in Schaduwboekhouding de 32 gedichten worden gevolgd door 32 `miniaturen': korte invallen of verhalen in beknopt proza. De verschillen zijn niet zo groot: de gedichten nemen hier en daar de vorm aan van proza; de miniaturen hebben soms dezelfde opzet als een gedicht.

Geintjes

Grote verschillen met vorige bundels zie ik niet. Een andere lezer, met een ander temperament, zal zich blijven ergeren aan de flauwe geintjes, de studentikoze invallen, de neiging tot melodrama. Dat zie ik ook wel, maar ik blijf Heytze toch nog steeds graag volgen, om zijn souplesse, zijn afwisseling, zijn esprit, zijn gevoel voor absurdisme en het scherpe beeld. In elke bundel zijn wel weer de kwetsbaarheden en ontroeringen te vinden die mij de indruk geven dat er, net als in dat eerste vossengedicht, voor Heytze veel op het spel staat. Angst, vrees, duistere machten, beklemming. In Schaduwboekhouding is er, in het ijsgenre, het gedicht `Nova Zembla' waarin een relatie langzaam uitgaat en het bed geen behouden huis blijkt – `wij stikken onder eeuwig ijs'. Net zo schrijnend is `Bericht aan de reizigers', waarin Heytze vertelt over zijn reisfobie, die hem nu al tien jaar belet de stad Utrecht te verlaten. `Er zit een zee in mij en dat ben ik./ Ik heb mezelf al tien jaar niet gezien.' Via omwegen probeert hij zijn vrees voorzichtig onder woorden te brengen. De verre stad, het verre land, de verre pleinen – hij kan er niet komen, elke poging strandt in angst of verdriet of heimwee. De enige halte die hij nog haalt is Halverwege Onverrichter Zake. Die angstaanjagende verten zitten eigenlijk in zijn hoofd. Hij weet het. Hij weet ook dat hij eigenlijk `eens lekker weg moet in eigen hoofd'. Het lukt hem niet, want `altijd reis ik met mezelf mee'. Zie jezelf maar eens kwijt te raken. Zo luidt het slot: `Er zit een zee in mij en ik verdrink.'

Ingmar Heytze: Schaduwboekhouding. Podium, 80 blz. €13,90