Het water slaapt

De opera `Pelléas et Mélisande' is een van de meest gedurfde muzikale ondernemingen. Vooral dankzij het alledaagse taalgebruik. ,,De personages in dit drama proberen te zingen zoals échte mensen dat doen.''

Brokken steen liggen hoog opgetast en stulpen uit in een rotspunt die is gesitueerd op een langzaam ronddraaiend cirkelvormig podium. In de hoogte hangt, als een zonverduisterende ufo, een kolossale marmeren steen die met het verstrijken van de tijd steeds meer barsten gaat vertonen. Terwijl de klif door een jongensachtige gestalte wordt beklommen, waaieren er uit de orkestbak snel golvende pendelbewegingen op van gedempte violen en lage strijkers. Als de jongen vanaf het hoogste punt een munt in een zinken teil werpt, en deze nakijkt alsof hij in een peilloze diepte verdwijnt, wordt de vibrerende sonoriteit van de strijkers ingekleurd met een trage, dromerige melodie van fluiten en hobo's. In de Arnhemse Schouwburg wordt op deze vrijdagmiddag gewerkt aan de nieuwe productie van Pelléas et Mélisande van Claude Debussy (1866-1915) door de Nationale Reisopera. Dirigent Ed Spanjaard heeft de muzikale leiding voor een moment overgelaten aan zijn assistent en ijsbeert door diverse hoeken van de zaal en het balkon om de balans van het orkest met de zangers en de ruimtelijke werking van de klank in zich op te nemen. De zangers en de musici van het Gelders Orkest komen in deze fase van het repetitieproces voor het eerst bij elkaar in de zaal en dit is het moment om de muziek tot in detail af te werken, zodat dit uit 1902 daterende `Drame lyrique en 5 actes de Maurice Maeterlinck' in volle glorie zal kunnen schitteren bij de première op 28 mei.

`Een poëet die de dingen maar half zegt. Twee aan elkaar gerelateerde dromen, dat zou ideaal zijn. Geen specifieke plaats of tijd van handeling, scènes op diverse locaties en verschillend van karakter. Personages die niets met elkaar bespreken, maar zich onderwerpen aan het leven, het lot, etc.', zo omschreef Claude Debussy zijn gedroomde opera in 1889. Hij was toen al een aantal jaren tevergeefs op zoek geweest naar geschikte onderwerpen. Met zijn Rodrigue et Chimène, naar het toneelstuk Le Cid van Corneille, was hij al een aardig eind op weg geraakt, maar gefrustreerd en ontevreden gaf hij op en liet het stuk onvoltooid.

Sprookje

Bij de eerste opvoering van Maeterlincks toneelstuk Pelléas et Mélisande in mei 1893 in Parijs, zag Debussy zich echter op zijn wenken bediend en nog in september van dat jaar ging hij aan de slag. Met Pelléas et Mélisande schiep Maeterlinck (1862-1949) een symbolistisch sprookje, een verzonnen legende over een tragische driehoeksrelatie. Het verhaalt hoe Golaud tijdens de jacht op een wild zwijn verdwaalt in het bos. Bij een bron ontwaart hij de schone en schuchtere Mélisande en hij is meteen verkocht. Hij neemt haar mee naar het kasteel van zijn grootvader, koning Arkel van Allemonde. Daar ontmoet ze ook Golauds halfbroer Pelléas. Tussen Pelléas en Mélisande ontstaat een liefde en zielsverwantschap die aan het einde fataal blijkt. Het gegeven riekt enigszins naar melodrama en lijkt ook geschikt als onderwerp voor een belcanto-opera met toeters en bellen. Maar als een soort grondmist hangt er een merkwaardige wezenloosheid en onnadrukkelijkheid over de tekst van Pelléas et Mélisande.

Voortdurend heb je het gevoel dat de personages inderdaad maar de helft uitspreken van wat hen bezighoudt. Waar andere symbolisten zich graag bedienden van stijlmiddelen als een fantasievocabulaire en een verwrongen zinsbouw, spreekt Maeterlinck een haast kinderlijk aandoende taal, met de directe en transparante toon van een spannend jongensboek. Waar de dialogen aan de oppervlakte helder lijken, blijft er echter van alles in de lucht hangen en gist en schemert het voortdurend in het ietwat bedompte en sombere rijk van koning Arkel. Hoe kwam Mélisande bij die bron terecht? Waar kwam ze vandaan? Was ze op de vlucht?

Dergelijke vragen worden in het geheel niet of slechts onbevredigend beantwoord. De alledaagsheid van het taalgebruik lijkt de raadselachtige en haast mystieke betekenis van de onvermijdelijke opeenvolging van de gebeurtenissen slechts te verhogen. De vage, ingetogen en gloedvolle muziek van Debussy sluit naadloos op deze betoverende atmosfeer van ongewisheid aan. De zanglijnen bestaan veelal uit een onnadrukkelijk zingzeggen, er wordt geen lettergreep herhaald of uitgesponnen. Nergens overlappen de zangstemmen elkaar, of zijn er duetten of ensembles. Ook een koor had gekund, want Maeterlincks stuk begint met de bedienden die de kasteeltrappen schoonboenen. Maar het was nu juist deze passage die Debussy schrapte, uit afkeer van alles wat aan de traditie van de grand opéra zou kunnen herinneren. Voor het overige volgt hij de oorspronkelijke toneeltekst in zijn geheel, zonder enige coupure.

Bij de eerste serie voorstellingen in 1902 schreef Debussy in het programmaboek: `Het drama Pelléas et Mélisande, dat ondanks zijn dromerige atmosfeer veel meer over het menselijk bestaan zegt dan de zogenaamde `levensechte' literatuur, leek op wonderbaarlijke wijze perfect aan te sluiten bij mijn bedoelingen. Het wordt gekenmerkt door een geheimzinnig, bezwerend taalgebruik waarvan de sensibiliteit door de muziek en haar orkestrale uitwerking kan worden overgenomen. Daarom heb ik geprobeerd aan een zeker schoonheidscriterium te voldoen, iets dat men vreemd genoeg meestal vergeet wanneer het gaat om de dramatische werken. De personages in dit drama proberen te zingen zoals échte mensen dat doen en niet in een willekeurig gekozen taal van een verouderde traditie!'

In de pauze van de repetitie praat ik met regisseur Peter te Nuyl: ,,Ik vind de wezenloosheid die er over het stuk hangt heerlijk. Vijfentwintig jaar geleden deed ik de theaterversie van het stuk met toneelgroep Fact en nu doe ik het via Debussy dus nog een keer. Voor iemand die een hekel heeft aan realisme, is Maeterlinck één van de mogelijke antwoorden in het theater. Ik hou van het spel met de realiteit, om te zien hoe je uit de realiteit los kunt raken zonder de band met de werkelijkheid te verliezen. In wat voor gebied kom je dan terecht? Als je Gustave Kahns manifest van het symbolisme leest, dan is het hun in het theater niet meer te doen om het conflict tussen individuen, maar tussen ideeën.

,,Het decor is bij de symbolisten een soort geest, het drukt iemands innerlijke belevingswereld uit. Maar je beleeft toneel wel altijd vanuit het subjectieve. Als het verhaal dan uit een binnenwereld wordt uitgedrukt, in wiens binnenwereld bevinden we ons dan? In deze enscenering is dat het perspectief van het kind Yniold, de zoon van Golaud uit een eerder huwelijk. Hij is de hele avond op het toneel, in pyjama, en slaat de volwassenen gade die gegrepen lijken door krachten die buiten henzelf liggen.

,,Maeterlinck zei dat een stuk niet gaat over de tekst, maar over de stiltes tussen de zinnen. Wat Debussy eigenlijk gedaan heeft, is die stiltes uit te componeren en die ben ik nu aan het regisseren. Ik vind het ergens een beetje eng om het stuk samen met Ed Spanjaard te doen, want hij kent de opera zo door en door en heeft hem al zo vaak uitgevoerd. Maar aan de andere kant geeft dat natuurlijk ook houvast en ik ben zeer tevreden over hoe de zangers de toon van het stuk en de enscenering aanvoelen.''

Dat Golaud bij aanvang van het stuk in het bos de weg kwijtraakt, vormt de voorbode van nog veel meer dwalingen. De personages die Pelléas et Mélisande bevolken tasten niet alleen in het duister omtrent hun lot, maar hun zicht wordt vaak vertroebeld omdat het mistig is, of omdat de zon is ondergegaan en de maan en sterren laten zich niet zien. `Het is zo donker dat je het water kunt horen slapen.' Het zicht van de oude koning Arkel holt achteruit: `Ben jij het Pelléas?'vraagt hij. `Kom wat dichterbij zodat ik je kan zien in het licht.' Ook in het woud, waar Pelléas en Mélisande elkaar heimelijk treffen bij de vademloos diepe Bron van de Blindeman, heerst schemerduister: `Kom in het licht, zodat we kunnen zien hoe gelukkig we zijn', zegt hij haar. `Nee, nee laten we hier blijven. In het donker ben ik dichter bij je.' `Waar zijn je ogen?'

Het toneelstuk van Gentenaar Maeterlinck, laureaat van de Nobelprijs voor literatuur en nog altijd in de race voor de begerenswaardige titel Grootste Belg Aller Tijden, vormde ook de inspiratie voor een aantal andere opmerkelijke muzikale scheppingen: Gabriel Fauré schreef in 1898 toneelmuziek, evenals Jean Sibelius dit deed in 1905. Arnold Schönberg vervaardigde in 1903 een symfonisch gedicht. Het stuk gaf uitdrukking aan een tijdsgeest waarin men zocht naar een kunstopvatting die het ongrijpbare meer benadrukte dan het tastbare.

In zijn keuze om het libretto integraal te toonzetten, is de opera van Debussy het meest radicaal en gedurfd van deze muzikale ondernemingen. Pelléas et Mélisande is tegelijk revolutionair muziektheater en sterk in de traditie van de Franse opera geworteld. De half gesproken, meanderende vocale lijnen, waarbij het psalmodiërende Gregoriaans nooit ver om de hoek ligt, vind je evenzogoed in de barokke opera's van Lully en Rameau. Het Franse muziektheater heeft altijd een grotere nadruk op verstaanbaarheid gelegd.

De achttiende-eeuwse definitie van een geschikte operazanger luidde un comédien ou comédienne avec une assez belle voix'. Een Italiaanse componist zou met een acteur of actrice met een aardige stem nooit genoegen hebben genomen, omdat dit volstrekt ontoereikend zou zijn voor de vele bloemrijke versieringen van de melodielijn. De Franse voorliefde voor declamatie drukt in wezen een groter belang dat aan de tekst gehecht wordt uit. Deze lovenswaardige affiniteit met het literaire heeft er echter niet toe geleid dat het gemiddelde Franse operalibretto beter is dan bijvoorbeeld het Italiaanse. Maar met Pelléas et Mélisande voorzag Debussy zich van het chicst denkbare materiaal.

Nieuwe sonoriteit

Het is vooral de onconventionele vorm waarin het drama gestalte krijgt en de volstrekt nieuwe sonoriteit waar Debussy zich van bedient, een harmonische taal die in veel opzichten even raadselachtig is als de personages, waardoor het stuk zich onderscheidt. Onder de zanglijnen sluimert en broeit de muziek als een veenbrand die oplaait tijdens de interludes tussen de scènes. Naarmate het stuk vordert, worden deze tussenspelen steeds omvangrijker en intenser van karakter, om in de vierde akte hypnotiserende vormen aan te nemen.

Naast invloeden van Franse componisten als Massenet en Saint-Saëns, hoor je ook echo's van de Russische opera, met name Moessorgsky's Boris Gudonov. Rond 1881 was Debussy de huispianist van Madame von Meck, de weldoenster van Tsjaikovski, en belandde zodoende enige malen in Rusland. Totdat hij om de hand van haar dochter vroeg en op staande voet werd ontslagen. En er bestaat een treffend aantal overeenkomsten tussen Pelléas et Mélisande en Richard Wagners Tristan und Isolde. In beide in een liefdesdood eindigende werken is het de muziek die het drama draagt en stuurt en betreden we een wereld van oude, verre koninkrijken en kastelen. Maar waar Wagner krachtige symbolen gebruikt als zwaarden, speren, raven en liefdeselixers, is het universum van Pelléas et Mélisande veel decadenter, met zijn suggesties van verval en blindheid, bronnen en poorten, rotsen en schapen.

`Waarom zeg je steeds dat je weg gaat?' merkt Mélisande terecht op. Pélleas staat voortdurend op het punt van vertrek. Hij is amper teruggekeerd van een verre reis of er komt alweer bericht dat zijn vriend Marcellus op sterven ligt en zijn aanwezigheid aldaar dringend gewenst is. Maar desondanks blijft het bij dralen en moed verzamelen om Mélisande zijn liefde te verklaren. Als hij dat eenmaal gedaan heeft, wordt hij door Golaud in een jaloerse razernij omgebracht. Mélisande sterft in het kraambed, Golaud en Arkel blijven alleen achter met de baby. `Het kind moet nu in haar plaats leven. Het is de beurt aan dit arme kleine ding', verzucht de oude koning, bij het wegsterven van de harp in de slotmaten.

`Pelléas et Mélisande': Schouwburg, Arnhem 28/5; Rotterdamse Schouwburg 31/5; Theater a/h Vrijthof, Maastricht, 3/6; Theater a/d Parade, Den Bosch, 5/6; Stadsschouwburg Groningen, 8/6; Twentse Schouwburg, Enschede, 11/6; Stadsschouwburg De Harmonie, Leeuwarden, 14/6; Lucent Danstheater, Den Haag, 17/6; Stadsschouwburg Utrecht, 22/6, Schouwburg Orpheus, Apeldoorn, 25/6; Stadsschouwburg Eindhoven 28/6; inl. www.reisopera.nl

`Waarom zeg je steeds

dat je weg gaat?' merkt Mélisande terecht op

`Ik vind de wezenloosheid die er over het stuk hangt heerlijk'