Het leven komt wat later

Mensen denken liever niet aan hun eigen dood, schreef cultureel antropoloog Ernest Becker in The Denial of Death, het boek waar hij in 1974, twee maanden na zijn overlijden, de Pulitzer Prize voor kreeg. Mensen ontkennen hun eigen sterfelijkheid, volgens Becker: we bouwen een wereld van illusies om te vluchten voor het idee dat we ooit doodgaan, en al die illusies samen is wat we de cultuur noemen.

Psychiater en schrijver Irvin Yalom borduurt in zijn nieuwe boek De Schopenhauer-kuur voort op het gedachtegoed van Becker. Je kunt pas ten volle leven, zegt Yalom, als je goed tot je hebt laten doordringen dat je ooit doodgaat. Daardoor leer je je prioriteiten kennen: je maakt je minder zorgen om trivialiteiten, je richt je op wat wezenlijk is. Nu Yalom ouder wordt – hij is 73 – richt hij zich zelf ook op wat hij essentieel vindt. Hij kijkt veel naar zijn bonsaituin en naar zijn vrouw. En hij schrijft steeds meer fictie, want hij ziet zichzelf vooral als een verhalenverteller.

Zo'n leven kan hij zich veroorloven. Irvin Yalom heeft al een succesvolle carrière doorlopen, als praktiserend psychiater, als docent aan diverse universiteiten én als schrijver. Zijn eerste boek, The Theory and Practice of Group Psychotherapy (1970), was een hit. De handleiding voor therapeuten is in twaalf talen vertaald en er werden ruim 700.000 exemplaren van verkocht. Zelf schrijft hij het succes ervan graag toe aan de case studies die hij erin heeft opgenomen, waardoor het leest als een verhalenbundel. En verhalen vertellen is precies wat hij wil. In When Nietzsche Wept (vertaald als Nietzsches tranen) beschreef hij wat er gebeurd zou kunnen zijn als de filosoof Nietzsche aan het einde van de negentiende eeuw in therapie zou zijn gegaan bij Freuds mentor Josef Breuer. Het was Yaloms bedoeling een nieuw genre uit te vinden: de educatieve roman, een verhaal waarvan de mensen ook nog wat konden opsteken. Hij kreeg er in 1993 de Commonwealth Gold Medal fictieprijs voor.

De Schopenhauer-kuur is ook weer zo'n educatieve roman – een mengeling van lesboek en verhaal. Het verhaal gaat over psychiater Julius Hertzfeld, 65 jaar, bij wie huidkanker wordt vastgesteld. In het jaar dat hem nog rest, stort hij zich volledig op zijn groepstherapeutische praktijk – iets waar hij sinds de dood van zijn vrouw helemaal voor leeft. Ook belt hij in een opwelling een oud-patiënt op die twintig jaar geleden drie jaar lang bij hem in individuele therapie is geweest voor seksverslaving, maar bij wie hij nooit het gevoel had dat hij ook maar iets teweeg heeft kunnen brengen. Dat blijkt te kloppen. Deze Philip Slate heeft inderdaad niets aan Hertzfeld gehad, meldt hij droog, en vertelt ook hoe hij dan wel met zijn kwaal heeft leren leven: hij heeft zich bij wijze van zelfmedicatie gestort op het werk Schopenhauer en andere filosofen en hij heeft zich afgezonderd van de wereld en gewone mensen. Slate is als het ware Schopenhauer geworden, een mensenschuwe, mensenhatende filosoof. Na het gesprek sluit Slate zich bij Hertzfelds huidige therapiegroep aan.

Yalom wisselt de hoofdstukken over Hertzfeld, Slate en de therapiegroep af met stukjes biografie van Schopenhauer. Alle hoofdstukken hebben een epigram van Schopenhauer als motto. Het is allemaal wat veel, maar educatief is het zeker. Als lezer leer je een hoop. Over het leven van Schopenhauer, maar ook over hoe een therapiegroep werkt: hoe het evenwicht verstoord en hersteld wordt als er een nieuw groepslid bijkomt, hoe er gepraat wordt, wat de rol is van de therapeut, welke doorbraken de groepsleden meemaken en waar die door veroorzaakt worden.

Hoewel De Schopenhaur-kuur ook onderhoudend is – je wilt graag doorlezen om te weten hoe het verder gaat – is het toch eerder een educatief boek dan een echt geslaagde roman. Yalom is een bevlogen leraar, maar geen groot stilist: hij komt met opmerkingen als `Iedere groepstherapeut kent uit ervaring de helende werking die er van zo'n groep uitgaat'. De vertaling uit het Engels maakt het er niet beter op – de hoofdpersonen moeten op emotionele momenten zinnen uitspreken als `Wat zeg je me nu? Je maakt een grapje!' En dan zijn er nog inhoudelijke bezwaren: Slate bijvoorbeeld wordt neergezet als hork zonder sociale vaardigheden, zodat je je niet kunt voorstellen dat hij ooit een vrouwenverslinder was.

Wel zet De Schopenhauer-kuur prettig aan tot nadenken over wat het nou precies betekent om het leven `ten volle' te leven. Wanneer leeft iemand `echt'? De therapiegroep zelf is duidelijk een oefening, niet het echte leven. En de contactvermijdende Schopenhauerverslaafde leeft natuurlijk ook niet echt, zo lijkt Yalom althans te beweren. Maar de psychiater, leeft die dan wél echt? En in welk opzicht is de therapie die hij te bieden heeft eigenlijk beter dan afzondering zoeken en filosofie lezen? Zijn het, zou Ernest Becker zeggen, niet gewoon allemaal manieren om om te gaan met de wetenschap dat het leven eindig is? En dat zijn wel de vragen waarvan romans gemaakt zijn.

Irvin D. Yalom: De Schopenhauer-kuur. Uit het Engels vertaald door Hannah Jansen. Balans, 392 blz. €19,50