Geen roman zonder betekenis

In De X-files van de literatuur stelt Arie Storm, ondanks de naar het tv-amusement lonkende titel, zich op als een serieuze vakman en docent. `Schrijven is te leren', luidt niet voor niets de eerste zin. Aspirant-schrijvers die hopen op een `gouden tip' worden echter teleurgesteld; zo'n gouden tip bestaat niet, houdt Storm hun voor. Hoewel hij met enkele simplistische `vertelwetten' komt aanzetten, blijkt de beste leerschool toch nog altijd de literatuur zelf te zijn. Daar kan iedereen de ware meesters vinden, als tenminste bij hun boeken de `juiste vragen' worden gesteld. In deze bundel geeft Storm, al dan niet met pedagogisch oogmerk, het goede voorbeeld.

Groot is zijn ontzag voor de literatuur. Schrijven doe je niet uit `ijdelheid' (zoals Renate Dorrestein ooit beweerde), maar omdat je talent hebt en omdat je van literatuur houdt, vindt Storm. Maar wat moeten we onder literatuur verstaan? Het is duidelijk dat Storm literatuur ziet als een autonoom domein, waar schrijvers per boek een `geheel nieuwe werkelijkheid' creëren – naast de gewone, altijd al bestaande werkelijkheid. Dat werpt vanzelf de vraag op naar de relatie tussen deze beide werkelijkheden.

Over die relatie doet Storm nogal geheimzinnig. Op het eerste gezicht lijkt er volgens hem nauwelijks enige relatie te bestaan. De roman is geen `gesloten systeem', lezen we, omdat elke roman naar andere romans verwijst, maar het geheel van die romans, de literatuur zelf, krijgt wel degelijk het karakter van een gesloten systeem. Daarbinnen gaat Storm vlijtig aan de slag: hij legt intertekstuele verwijzingen bij Zwagerman bloot, hij ontdekt in Kellendonks roman De nietsnut twee verschillende, moeilijk met elkaar te verenigen interpretatiemogelijkheden, aan de hand van Advocaat van de hanen wordt het vakmanschap van Van der Heijden zichtbaar gemaakt en in de `file' over Nabokovs De verdediging gaat hij uitputtend in op een `volmaakte' fout in deze roman van zijn idool. Het is soms vernuftig gedaan, maar valt er niet veel meer over deze schrijvers en hun romans te zeggen?

Literatuur is eigenlijk alleen `stijl', hoor je wel eens, vooral uit de mond van voorstanders van de literaire autonomie. Het is daarom vreemd dat Storm in deze bundel De Revisor-redactie juist op dit standpunt aanvalt, zij het met het weinig principiële argument dat hun eigen stijl zo beroerd zou zijn. Bij nader inzien blijkt hij tegen het standpunt zelf niet zoveel bezwaren te hebben, behalve dan dat stijl en inhoud niet van elkaar te scheiden zijn, en dat stijl `persoonlijk' moet zijn, maar ook `bescheiden', dus: géén `mooischrijverij'. Het zijn stuk voor stuk open deuren die hier worden ingetrapt, iets wat Storm niet ongeestig ironiseert door in de `file' over deze kwestie als voorbeeld het zinnetje `Hij sloot de deur' te gebruiken. Maar dat we er nu veel wijzer van worden, nee.

Dat verandert enigszins als Storm laat zien wat hij beslist niet in een roman zoekt. Onvrijwillig slachtoffer is ditmaal (zoals in het verleden Anna Enquist) de Chileense bestsellerschrijfster Isabel Allende. Van de trauma-verwerking in haar romans moet Storm niets hebben. Al even negatief is hij over literatuur waarin alles om het `verhaal' draait. Dat zou slechts neerkomen op een uitnodiging tot identificatie met de hoofdpersoon, waardoor de `emoties' oppermachtig kunnen worden. Literatuur is er dus niet voor de trauma's en niet voor de emoties. Waarvoor dan wel?

Storm weet de spanning erin te houden doordat hij het bevredigende antwoord op deze vraag telkens uitstelt. Of we dat antwoord na de laatste `file' wél hebben gekregen, blijft overigens dubieus. Dat komt doordat één vitaal element van het literaire spel voor hem vreemd genoeg nauwelijks lijkt te bestaan, en dat is: betekenis.

Het `verhaal' is, anders dan Storm schijnt te denken, geen alibi voor een ontketening van de emoties, het is iets wat betekenis creëert, liefst zoveel mogelijk. De emotie is daarbij hooguit een middel, terwijl de schoonheid een effect is (zo niet, dan ligt altijd het gevaar van mooischrijverij op de loer, getuige de kerstballenesthetiek van iemand als Jeroen Brouwers). Zodra je literatuur opvat als iets wat betekenis creëert, net zoals – op een andere manier – wetenschap, filosofie of religie dat doet, ontsnappen we vanzelf aan de claustrofobische bijwerking van een louter autonome, in haar eigen gesloten systeem rondzingende literatuur.

Bij Storm krijg ik de indruk dat hij dat laatste ook wel zou willen. Hij weet alleen niet hoe, en daarom probeert hij er het beste van te maken door alle nadruk te leggen op het `personage', dat geheimzinnige wezen in de andere werkelijkheid van de literatuur, dat ons toch vaak zo nabij staat. Het wonder van de literatuur is dat we dankzij de roman `in het hoofd van een ander' kunnen kijken, betoogt Storm; nergens anders is dat mogelijk. In de literatuur draait het derhalve om `de werking van een brein van een romanpersonage en hoe daar een dramatisch spannend verhaal mee te creëren'. Met als hoogtepunt: het besef van zo'n personage (als kroongetuige treedt Humbert Humbert uit Nabokovs Lolita op) dat het gevangen zit in een gesloten romanwereld. Pas dan wordt zo'n personage `bijna menselijk'. Oftewel: op net zo'n manier zitten wij mensen gevangen in onze werkelijkheid.

Het is listig bedacht en beantwoordt aan het ontnuchterende pessimisme dat Storm ergens tussen neus en lippen zegt van goede literatuur te verwachten, maar het is ook wel erg algemeen en globaal. Het zegt eigenlijk niets, maar doet intussen wel iets anders. Onbedoeld toont deze slotsom de grote beperking aan, die mij ook al was opgevallen in de enige roman (De ongeborene) die ik van Arie Storm ken: goed geschreven, persoonlijk én bescheiden, maar aan alles merk je dat de auteur, in tegenstelling tot het merendeel van de door hem bewonderde en in deze X-files ondervraagde collega's, niet zoveel te vertellen heeft.

Arie Storm: De X-files van de literatuur. Prometheus, 193 blz. €18,95