Europees akkoord aanpak terreur

De Beneluxlanden, Frankrijk, Spanje, Duitsland en Oostenrijk hebben vanmiddag in het Duitse Prüm een verdrag ondertekend dat verdergaande samenwerking bij terrorismebestrijding en openbare orde mogelijk maakt.

Het betreft uitbreiding van het zogeheten Schengen-akkoord, dat in 1985 werd gesloten om grensoverschrijdende criminaliteit en illegale migratie tegen te gaan. Het verdrag trad in 1995 in werking. Sinds de aanslagen in de VS in 2001 en Spanje in 2004 is daar gemeenschappelijke terreurbestrijding aan toegevoegd.

Het uitgebreide Schengen-verdrag maakt nu mogelijk dat opsporingsinstanties DNA-profielen, persoonsgegevens en vingerafdrukken kunnen uitwisselen. Het uitwisselen van DNA-profielen uit geautomatiseerde databanken maakt het mogelijk na te gaan of verdachten in een opsporingsonderzoek in het ene land ook doelwit van dergelijk onderzoek in een ander land zijn. Bij grote evenementen in de grensstreek kunnen onderling persoonsgegevens worden uitgewisseld als dat in het belang is voor de openbare orde en binnenlandse veiligheid.

Eerder sloot Nederland al dergelijke samenwerkingsverdragen met België, Luxemburg, Duitsland en Oostenrijk. In die verdragen is geregeld dat opsporingsautoriteiten tot ver op elkaars grondgebied mogen opereren. Het vandaag ondertekende verdrag biedt die mogelijkheid ook. Buitenlandse politie mag in andere lidstaten opereren, mits zij zich houdt aan het nationale recht. In noodsituaties mogen buitenlandse politiefunctionarissen ook in een andere lidstaat opereren zonder voorafgaande toestemming.

Andere landen van de EU kunnen zich bij de Schengenlanden aansluiten. Na de oprichters België, Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk sloten zich sinds 1990 Italië, Spanje, Portugal, Griekenland, Oostenrijk, Finland, Denemarken en Zweden bij het Schengenverdrag aan. In 2001 traden IJsland en Noorwegen toe. Het vandaag gesloten verdrag werd slechts door een deel van de Schengenlanden ondertekend.