Een verknipte droomhandelaar

Hans Christian Andersen is de vader van het Europese sprookje, dat pas veel later onschadelijk is gemaakt door Walt Disney. Voor zijn tweehonderdste geboortedag is nu `De improvisator' vertaald, een roman die een ommekeer markeert in zijn gekwelde werk.

Hoe wrang dat Hans Christian Andersen, zijn leven lang getroubleerd door verliefdheid op onbereikbare vrouwen (en mannen), zelfs postuum, bij de feestelijkheden voor zijn tweehonderdste verjaardag, in nood is gebracht door alweer een femme fatale. De Amerikaanse zangeres Tina Turner, die Andersen (met de titel van een van haar nummers) beschouwt als simply the best, was op het laatste moment als enige superster bereid te zingen op het grote openingsfeest afgelopen april. Ze deed twee nummers en bedong daarvoor de gage van 770.000 euro. In één klap was de bodem van de feestkas in zicht. De Stichting `Hans Christian Andersen 2005' moest wegens geldgebrek allerlei andere festiviteiten schrappen. Heeft Andersens wedergeboorte als serieuze literator na dit staaltje van artistieke globalisering nog kans, of blijft hij voor eeuwig de `sprookjesschrijver voor kinderen'?

Dat Andersen, befaamd om sprookjes als `Het meisje met de zwavelstokjes' en `De nieuwe kleren van de keizer' ondanks zijn veelzijdigheid nog steeds het etiket kinderboekenauteur draagt ligt vooral aan de Angelsaksische wereld. Halverwege de negentiende eeuw ontstond in Engeland onder invloed van de Romantiek een nieuw genre kinderboeken, waarin niet langer moraal, scholing en opvoeding centraal stonden, maar verbeelding, fantasie en plezier. Andersens sprookjes werden in dat licht geïnterpreteerd en (allerbelabberdst) vertaald. De mierzoete Walt Disney-verfilmingen van zijn sprookjes hebben Andersen een eeuw later definitief gecanoniseerd als kinderboekenschrijver.

Natuurlijk heeft Andersen het genre van de kinderverhalen ook echt voorgoed veranderd. Hij gaf het `cultuursprookje' een centrale plaats in de negentiende eeuw en introduceerde fantasy, waardoor in Engeland het klimaat ontstond voor boeken als Lewis Carrolls Alice in Wonderland, de aftrap van de Britse golden age of children's literature. Bovendien bracht Andersen kinderspeelgoed (`De standvastige tinnen soldaat') op onnavolgbare wijze tot leven, een innovatie die in hedendaagse kinderboeken en films (Toy Story) gemeengoed is.

Maar Andersens invloed op de kinderliteratuur rechtvaardigt niet het beperkte etiket `kinderboekenschrijver', zoals ook de Deense literatuurcriticus Jens Andersen, de nieuwste biograaf van zijn beroemde naamgenoot, aantoont in zijn lijvige, uitgebreide maar toegankelijke Hans Christian Andersen, A New Life. Na diepgaand onderzoek en studie van Andersens vele dagboeken en brieven wil de biograaf met dit boek `Hans Christian Andersen portreteren zoals hij was. Als mens, man en schrijver'. In tien hoofdstukken, die beginnen met een geschreven tableau waarvan de bronnen in de afsluitende noten vermeld staan, wordt helder wie Andersen was: een existentiële denker met `onafhankelijke ideeën betreffende de grote levensvragen', een gepassioneerd reisverteller, romanschrijver, uitmuntend ontwerper van papierknipsels en – hieraan besteedt Jens Andersen veel aandacht – een neurotische, hypochondrische, seksueel gefrustreerde excentriekeling, altijd verliefd op onbereikbare vrouwen en mannen (`The Androgynous One').

Tijdens zijn leven werd Andersen in Denemarken en Duitsland nog wel als volwaardig auteur beschouwd. Juist in zijn originaliteit (hij schreef als eerste voor een dubbel publiek van kinderen en volwassenen in een spreektaal vol woordgrapjes) was hij een typische representant van de Romantiek, die ruimte bood voor experimenten en zelfexpressie, en een grote belangstelling had voor folklore. Andersen was bevriend met kunstenaars als Mendelssohn, Schumann, Hugo en Balzac. Net als zijn romantische vrienden werd hij gedreven door de wens zijn leven te doorgronden en zijn emoties en frustraties met behulp van de kunst in goede banen te leiden.

Die noodzaak voelde Andersen al op jonge leeftijd. Geboren in een arm milieu en in zijn jeugd beschimpt en bespot om zijn lelijkheid, voelde hij al vroeg een enorme drang om aan zijn achtergrond en zichzelf te ontsnappen. Hij presenteerde zich als zanger en toneelspeler – als `improvisator' – aan de gegoede burgerij van zijn geboorteplaats Odense, in de hoop zo genoeg geld te verdienen om te vertrekken naar Kopenhagen, waar hij zijn droom – kunstenaar worden – wilde verwezenlijken. Op 6 september 1819 kwam Andersen aan in Kopenhagen. Hij zou de datum als zijn eigen verjaardag gaan beschouwen, op die dag begon het sprookje van zijn leven. De dag is ook het vertekpunt van Jens Andersens biografie. Volharding, ijdelheid en het geloof van de welgestelde Jonas Collin in Andersens talenten brachten hem daarna enkele succesjes. Maar als romanschrijver brak hij pas door met de semi-autobiografische roman De improvisator (1835), gepubliceerd na een verblijf in Italië, gekweld door het uitblijven van roem en door amoureuze afwijzingen.

Andersens reis door Italië (1833-1834) was een klassieke sentimental journey geweest, die leidde tot seksueel ontwaken, zelfkennis en artistieke groei: tezamen de bronnen van De improvisator, dat nu in het Nederlands is vertaald. Behalve een reisverhaal is De improvisator Andersens portrait of the artist as a young man, een ontwikkelingsroman over de wording van een dichter. Het is een onwaarschijnlijk romantisch verhaal en typisch eigentijds product, waarin Andersen via de kunstzinnige Italiaanse hoofdpersoon en verteller Antonio, min of meer onthult dat de sprookjes die kort ná De improvisator zouden volgen, even onvermijdelijk als vanzelfsprekend waren binnen zijn poëtische loopbaan.

Met het schrijven van zijn eerste sprookjes (`De tondeldoos', `Kleine Claus en grote Claus', `De prinses op de erwt') koos Andersen in 1835 definitief voor de `mooie fantasie', zoals Antonio het noemt in een treffende improvisatie over de fata morgana. Want, vertelt Antonio zijn lezers, `ik kende de mooie fee met de naam Fantasie goed. Mijn eigen droomwereld kon ik schilderen. [...] In mijn hart woonde immers 's werelds mooiste fata morgana'.

Antonio (of Andersen) is in die improvisatie een kleine jongen, die 's nachts bezoek krijgt van een gevleugeld, feeëriek meisje. Samen vliegen ze boven de blauwe zee naar het oude Rome en de Campagna. Ze rusten uit op rode wolken. Het meisje kust hem, noemt zich `Fantasie' en toont het jongetje haar moeders heilige berg, gebouwd van lucht en lichtstralen. Daar spelen ze zielsgelukkig, totdat de jongen groeit en het meisje steeds minder vaak komt. Maar hij kan haar niet vergeten. Op een avond, wanneer de jongeman een uit lichtstralen opgebouwd droomslot ziet, grijpt het verlangen hem en verdwijnt hij naar het vreemde land waar hij ooit speelde met de mooie Fantasie.

Het verhaal geeft de geboorte aan van een nieuwe Andersen. Op dat moment zijn we al halverwege de roman, in Napels. Antonio belandt daar nadat hij is gevlucht uit zijn geboorteplaats Rome, waar hij duelleerde met zijn vriend Bernardo om de liefde van operazangeres Annuziata. In Napels voelt Antonio zijn roeping. Bij het zien van de Vesuvius roept hij uit: `Nooit heb ik mij zo dicht bij God gevoeld. [...] Ik voelde kracht en moed: mijn onsterfelijke ziel sloeg zijn vleugels uit. ,,Machtige God, uw apostel wil ik zijn. In de wereldstormen wil ik uw naam zingen, uw kracht en heerlijkheid. [...] Dichter ben ik''.' Na deze mystieke ervaring volgt Antonio's improvisatie over Fantasie en de fata morgana.

Ook Andersen zelf vond in Napels zijn artistieke vrijheid. `Hier zijn kleuren, hier zijn geuren, hier zijn vormen,' zegt Antonio. In tegenstelling tot Rome, een symbool voor het kille noorden en `een graf vergeleken bij Napels'. In de roman is het de stad waar Antonio in armoede zijn eerste levensjaren slijt. Zonder vader, met een toegeeflijke moeder die vroeg in het verhaal door een ongeluk overlijdt en een excentrieke, angstaanjagende oom. Antonio heeft talent voor zang en improvisatie en trekt de aandacht van de welgestelde Romeinse familie Borghese. De Borgheses sturen hem naar de jezuïetenschool en ondersteunen hem financieel. Voor de familie stond de Deense familie Collin model, Andersens weldoeners aan wie De improvisator is opgedragen.

Geleidelijk aan wordt Antonio zich bewust van zijn gaven, zijn verlangens en zijn allesoverheersende fantasie. Hij leest Dante en Vergilius, bezoekt theaters, bewondert de toneelkunst, ontmoet Annunziata, wordt verliefd en weet niet of hij moet toegeven aan zijn lust of dat hij de liefde als een zuivere, schone kunst moet benaderen. Over die innerlijke tweestrijd roept zijn beste vriend Bernardo uit: `Je bent niet verliefd. Jij bent een van die geestelijke amfibieën waarvan je niet weet of ze tot de fysieke wereld of tot de droomwereld behoren'. Een treffend zelfportret van Andersen, die in het warme zuiden weliswaar seksueel `ontwaakte', maar niet toegaf aan zijn lusten. Deze seksuele onthouding leidde tot diepe frustratie, achtervolgde Andersen zijn hele leven.

Na eenzame omzwervingen vindt Antonio tenslotte zijn ware liefde. Hij herenigt zich op magische wijze met Lara, die hij ooit als 11-jarig blind meisje had ontmoet. Deze hereniging beschouwt Antonio als een waar wonder, dat thuishoort in een sprookjeswereld, `het merkwaardige rijk van de geest'. Dat slotakkoord maakt De improvisator enerzijds een optimistische roman, als een gedroomde versie van Andersens eigen complexe leven, maar anderzijds ook een weekhartige roman, in overeenstemming met de melodramatische tijdgeest, met veel aandacht voor Andersens innerlijke strijd, en kleurrijke landschapsbeschrijvingen die Goethes Italienische Reise (1816/1817) in herinnering roepen.

Wat is het belang van dit romantische boek? Samen met Dickens' Oliver Twist is De improvisator een van de eerste romans waarin de kinderjaren van de volwassen hoofdpersoon het vertrekpunt van het verhaal zijn, een van de belangrijke erfenissen van de Romantiek. De improvisator kondigde bovendien een keerpunt in Andersens schrijverschap aan. Dankzij het schrijven van zijn Italiaanse roman wist Andersen zich een ware `improvisator'. Hij moest en zou zich nu wijden aan de `mooie Fantasie'. De 156 sprookjes en fantastische verhalen die volgden waren een logisch gevolg van die bewustwording. Hij kon niet anders dan droomwerelden verwoorden, waarmee hij Gods schepping en zijn eigen complexe persoonlijkheid tot in detail weergaf. `Fantasie' was voor Andersen een middel zijn `verboden' seksuele verlangens, persoonlijke emoties en frustraties op een artistieke, veilige manier te tonen. Ook in een essay bij de nieuwe Engelse vertaling van Andersens Fairy Tales, betoogt Jackie Wullschlager (een van Andersens recente biografen) dat de sprookjes die Andersen schreef vanaf `De kleine zeemeermin' (1837), zelfportretten in miniatuur zijn. De held is de gefrustreerde stille minnaar en worstelende kunstenaar, die we in De improvisator al hebben ontmoet.

De seksloze zeemeermin, die door haar stomheid moet zwijgen over de liefde die ze voelt voor haar droomprins, en daardoor machteloos moet toezien hoe hij een ander trouwt, dat is natuurlijk Andersen zelf. En dat geldt ook voor de tol uit `De geliefden' die valt voor de onbereikbare bal wiens `vader en moeder marokijnen slippers zijn geweest', het geldt voor de wegkwijnende sneeuwman uit `De sneeuwman' die hopeloos verliefd wordt op een kachel (`er kwam iets over hem wat hij niet kende, maar wat de mensen wel kennen als ze niet van ijs zijn') en het geldt voor de bevrijde boomnimf in `De dryade', die als `een kind van verlangen' afreist naar de stad der liefde, maar niet mag toegeven aan zinnelijkheid en uiteindelijk wegglijdt als een wolk.

`De dryade' (1868) is onder meer door de psychologische diepgang duidelijk herkenbaar als een van Andersens latere sprookjes. Het past eerder in het genre van de `fantastische' negentiende-eeuwse literatuur dan binnen de Victoriaanse kindervertellingen, waartoe Andersens eerste, folkloristische sprookjes behoren. Deze verandering was al merkbaar in Andersens `De schaduw' (1847), een nihilistisch verhaal, dat is gesitueerd in het Napels uit De improvisator en dat vertelt over een dichter zonder schaduw en een schaduw die in een zielloze man verandert. De dichter kan niet leven zonder zijn schaduw, die `het hof van de poëzie had bezocht', en sterft.

Terecht bestempelt Wullschlager Andersens sprookjes als moderne vertellingen. En Jens Andersen beschouwt in A New Life de uit de onderbewuste droomwereld tot stand gekomen sprookjes zelfs als voorloper van het modernisme, dat kunstenaars als Paul Klee en Wassily Kandinsky voortbracht. De Amerikaanse literatuurcriticus Harold Bloom typeert Andersens verhalen als `universele, verontrustende, niet cultuurgebonden, toegankelijke vertellingen'. Bloom heeft dan ook nooit begrepen waarom Andersen als kinderschrijver wordt beschouwd. `Andersen vertoont meer overeenkomsten met Gogol', vindt hij, `dan met de gebroeders Grimm'. Bloom heeft gelijk. De Grimms waren literatuurwetenschappers en verwoede verzamelaars van volkssprookjes. Andersen was een fantast en verteller. Een `improvisator' die zijn leven wijdde aan het schilderen van de droomwereld die zetelde in zijn hart – zijn mooiste fata morgana.

H.C. Andersen: De improvisator. Vertaald uit het Deens door Jan Baptist. Athenaeum – Polak & van Gennep, 368 blz. €22,50 (verschijnt 31 mei) H.C. Andersen: Fairy Tales. Vertaald door Tiinna Nunnally

Met een inleiding van Jackie Wullschlager. Penguin, 437 blz. €26,75

Jens Andersen: Hans Christian Andersen A New Life. Vertaald uit het Deens door Tiina Nunnally. Overlook Duckworth, 624 blz. €44,58