Een selectie uit de discussie van de afgelopen week op www.nrc.nl/leesclub

De oosterse belevingswereld staat in De stille kracht tegenover de westerse, het mannelijke tegenover het vrouwelijke, de ratio tegenover de intuïtie; maar wat heeft dat met seks te maken? Naar mijn idee heel weinig, hier sleept Michiel Leezenberg iets er met de haren bij.

Ruth van der Weele

In het begin stelt Leezenberg dat De stille kracht vooral in zijn tijd gezien moet worden. Maar na te hebben gesteld dat men Couperus niet uit zijn tijd en verband mag rukken, trekt Leezenberg zelf wel de (voor mij nogal onduidelijke) relatie tussen seks en islam in een bijzin door tot in het nu. Zit hier het eigenlijke punt van het stuk verscholen, waarvoor Couperus eigenlijk maar een dekmantel is?

C.A.M. Tromp

Ondanks al het mysterie is De stille kracht een koloniale tekst die draait om de harde wereld van macht, geld en seks. Ik ondersteun de mening van Leezenberg dat Couperus' kolonialisme alles te maken heeft met seks. Ik zou daar zelfs aan toe willen voegen dat naast seks, rassenvermenging de roman bepaalt. Rond de publicatie van De stille kracht, onder invloed van opkomende eugenetische debatten, werden blanke angsten voor de bezoedeling en degeneratie van het blanke ras aangewakkerd. Couperus laat de omslag in denken over interraciale seksualiteit op zijn ongeëvenaarde wijze doorschemeren. Leonies affaire met de `wilde dierachtige' Indo Addy gaat tegen alle koloniale taboes in, die seks wel toestaan tussen een Europese man en een inlandse vrouw, maar niet tussen een Europese vrouw en een inlander (of Indo). Door Couperus' virtuoze ambivalentie kan de verindisching van Van Oudijck als ondergang worden gelezen, zoals Steinz doet, maar evenzeer als Mensch-wording, zoals Etty doet. Zo kan rassenvermenging vanuit verschillend perspectief worden gelezen als bezoedeling en ondergang of, zoals ik doe, als subversieve stille kracht.

Pamela Pattynama

Het woord `seks' heeft misschien enkelen op het verkeerde been gezet. Als je in plaats daarvan het neutralere `man-vrouw-verhoudingen' hanteert, of `sekse' en `gender', dan is het zonneklaar dat Couperus de koloniale overheersing vooral in zulke termen beschrijft. Steeds weer brengt hij de tegenstelling mannelijk-vrouwelijk in verband met andere, zoals heerser-overheerste en nuchterheid-spiritualiteit. Met name de (mystiek-islamitische) oosterse spiritualiteit wordt overduidelijk als vrouwelijk voorgesteld.

Het slot van het boek, vol interraciale vermenging, spreekt het hele idee van een onontkoombare botsing tussen Oost en West juist tegen. Couperus' blootlegging van de ambivalenties en schijnzekerheden in de relaties tussen heersers en overheersten, en tussen man en vrouw, maakt voor mij de blijvende waarde van deze roman uit. Couperus' boek ondermijnt de schijnbaar vanzelfsprekende tegenstellingen, die door vrijwel alle discussiedeelnemers voor lief lijken te worden genomen.

Michiel Leezenberg