Een moderne protestant

De jong gestorven J.K. van Eerbeek (pseudoniem van Meindert Boss, 1898-1937) wordt beschouwd als de belangrijkste prozaïst van de Jong-Protestantse generatie. Dat vond bij zijn dood zelfs Menno ter Braak. Toch bleef Van Eerbeeks roem beperkt tot zijn eigen gereformeerde kring. Binnen dat segment van de literatuur kent hij zijn gelijke niet.

Van Eerbeek deed zo'n beetje alles wat bekendheid buiten de eigen kring tegenging. Hij gaf zijn boeken uit bij puur-christelijke uitgevers als Kok in Kampen of Callenbach in Nijkerk en publiceerde in dito periodieken als Opwaartsche Wegen en Opgang, het geïllustreerde gezinsweekblad De Spiegel of het dagblad De Rotterdammer, alle voor andersdenkenden redelijk gesloten bolwerken. Hij afficheerde zich bovendien niet als criticus en maakte ook geen deel uit van een (spraakmakende) groep, twee andere middelen voor schrijvers om hun opvattingen een zekere verspreiding te garanderen.

De jonge generatie was al jaren bezig de realistische romantraditie te bestrijden, maar in de praktijk was de vernieuwing uitgebleven tot begin jaren dertig, toen Van Eerbeeks generatiegenoten als Theun de Vries, A. den Doolaard, Albert Kuyle of Constant van Wessem zich als prozaïst lanceerden. Al heeft Van Eerbeek bij die prozavernieuwing geen belangrijke rol gespeeld, toch is hij ook niet in de verouderde prozatraditie blijven steken. Van Eerbeek volgde niet slaafs het modernisme, dat met traditionele vertelpatronen en stereotiepe herkenbaarheid brak, maar week op een eigen manier af van het realisme van de voorgaande generatie.

De geringe bekendheid van Van Eerbeek is niet geheel terecht. Dat een naar hedendaagse maatstaven wel érg christelijke en met houterige dialogen gelardeerde roman als Gesloten grenzen (1935) de tand des tijds niet heeft doorstaan, valt nog te begrijpen. Maar romans als het sterk autobiografische Lichting '18 (1932) over de Eerste Wereldoorlog, en vooral Beumer & Co (1937), een gemakkelijk toegankelijke roman met een sterk sociale inslag, verdienen het herinnerd te worden.

Aan het leven van Van Eerbeek heeft de congeniale criticus Hans Werkman nu een bij vlagen boeiende biografie gewijd. Werkman is op zijn best als hij Van Eerbeeks plaatst binnen de context van de contemporaine gereformeerde literatuur en de manier schetst waarop deze zich daarvan op een aantal punten probeerde te distantiëren. Het boek is echter onnodig langdradig in die passages waar het wel heel uitvoerig Van Eerbeeks werk navertelt. Niettemin is de op degelijk onderzoek steunende biografie een daad van rechtvaardigheid ten opzichte van een schrijver zonder wie het prozalandschap van de jaren dertig er anders zou hebben uitgezien.

Hans Werkman: De haven uitgraven. Leven en werk van de schrijver J.K. van Eerbeek (1898-1937). Verloren, 416 blz. €29,–