De geur van petroleum

Sint-Petersburg is een schatkamer voor iedere liefhebber van de Russische literatuur. Rudy Kousbroek ging er op zoek naar het graf van zijn held: Ivan Toergenjev.

Wie zoekt naar argumenten ten gunste van het absolutisme neme de trein (of het vliegtuig) naar Sint-Petersburg. Deze stad is een mirakel, een wereldwonder voor architectuurliefhebbers zoals er geen tweede bestaat. Sint-Petersburg is de stad met de grootste concentratie aan classicistische architectuur ter wereld, het lijkt wel time travel – alles zo gaaf, zo goed onderhouden, zo vrij van alles waardoor in de rest van de wereld monumentale gebouwen worden bedreigd, dat iemand afkomstig uit die rest van de wereld denkt dat hij droomt.

`Absolute regering in een groot land heeft één ding in zijn voordeel: het kan alles afmaken waar het aan begint, en als het resultaat niet naar zijn zin is heeft het de mogelijkheid het weer af te breken en opnieuw te beginnen.' Aldus de architectuurhistoricus Maurice Craig in een serie artikelen over het toenmalige Leningrad in de jaren zestig.

Vanaf Peter de Grote hebben de Russische tsaren en grootvorsten paleizen in classicistische stijl gebouwd zonder zich te hoeven verantwoorden. Deze état de grâce duurde driehonderd jaar, toen werden de tsaren en grootvorsten vervangen door de bolsjewieken, die voor zichzelf een nog absoluter absolutisme installeerden. `Wat de tsaren nooit voor elkaar hebben gekregen', schreef Nabokov in Speak, Memory, `namelijk de totale onderwerping van de geesten aan de wil van de regering, lukte de bolsjewieken in minder dan geen tijd nadat de voornaamste intellectuelen naar het buitenland gevlucht of geliquideerd waren'. Het merkwaardige is dat zij hun absolute macht niet gebruikt hebben om die paleizen uit idealisme of ideologische woede als monumenten van uitbuiting te vernietigen, zoals ook mogelijk zou zijn geweest, en zoals in andere delen van de wereld na een revolutie ook vaak is gebeurd. Er zijn in heel Rusland trouwens wel degelijk gebouwen afgebroken, vooral kerken, maar de architectuur van Sint-Petersburg bleef als door een wonder gespaard.

Craig komt er aan het eind van zijn beschouwing nog eens op terug: `Na de Oktoberrevolutie in 1917', schreef hij in 1965, `bracht de regering de herdoopte stad weer onder haar gezag. Het gevolg is dat Leningrad er nu uitziet zoals zulke steden er allemaal uit zouden moeten zien – zonder reclame-opschriften, zonder eigentijdse wildgroei die de historische skyline verstoort, en alle monumentale gebouwen gelegenheid gevend om er uit te zien zoals ze door hun architecten waren bedoeld – en daarbij schitterend onderhouden. En vooral, voor de westerse bezoeker, met nauwelijks een spoor van het drukke verkeer dat de westerse steden te gronde richt.'

Dat was vóór de val van het Sovjet-regime; het volgende mirakel is dat deze situatie in Petersburg ook daarna is blijven bestaan. Ik kom er net vandaan en heb mij verwonderd over de perfecte staat waarin de monumentale architectuur (een opsomming moet hier maar achterwege blijven) na alweer bijna vijftien jaar kapitalisme nog steeds verkeert.

De stad moet na de Tweede Wereldoorlog zwaar gehavend zijn geweest. Tijdens het drie jaren durende Duitse beleg regende het dagelijks granaten. Op de Nevski Prospekt schijnt nog ergens een bord te staan met het opschrift: `Burgers! tijdens een beschieting is deze kant van de straat het gevaarlijkst'. Bijna een miljoen inwoners kwam om. Joseph Brodsky beschrijft ergens en passant hoe de stad er in de na-oorlogse jaren uitzag: `Grijze, bleekgroene façades vol gaten van kogels en granaatscherven; eindeloze lege straten met weinig voorbijgangers en bijna geen verkeer... Een mager hard gezicht met de abstracte schittering van zijn rivier weerspiegeld in de ogen van de lege ramen.'

In de daarop volgende periode is alles door het communistische regime vlekkeloos gerestaureerd; blijkbaar ging het historisch besef toch boven de ideologie, zoals het nu ook boven de door ex-minister Jorritsma zo geprezen `tucht van de markt' lijkt te gaan. Moge het dat blijven doen: je moet er niet aan denken wat die tucht daar voor verwoestingen zou kunnen aanrichten.

Tegelijkertijd is er in het huidige Sint-Petersburg nog van alles dat herinnert aan de stalinistische jaren, die zeer sterk tot de verbeelding spreken als gevolg van de grandioze literatuur die in die verschrikkelijke tijd is ontstaan. Bijvoorbeeld de kamers die de dichteres Anna Achmatova met allerlei andere mensen moest delen in het befaamde Fontanka Huis; deze zijn nu ingericht als museum: als je uit het raam kijkt zie je de gebouwen en de binnentuin waar zij al die jaren op moet hebben uitgekeken, en waar zich het ongelofelijke incident met Randolph Churchill moet hebben voorgedaan.

Dat was tijdens de Koude Oorlog, in 1945, toen Isaiah Berlin, van Russische origine, als Brits diplomaat Sint-Petersburg bezocht en zijn opwachting bij Achmatova had gemaakt. `Voor haar was het een ontmoeting met iemand uit de niet door onderdrukking en achtervolging vertrapte wereld der klassieke cultuur. Al kort na het begin van hun gesprek (waar ook V.N. Orlov bij tegenwoordig was) hoorden zij geschreeuw onder haar raam – het was Randolph Churchill, een van Berlins studievrienden en de zoon van premier Winston Churchill, die op zoek was naar hem (Berlin).

`Ik weet niet of agenten van de geheime politie mij volgden', aldus Berlin later, `maar dat ze Randolph Churchill volgden was boven elke twijfel verheven.' De gevolgen manifesteerden zich al snel: in Augustus 1946 kwam het beruchte Zjdanov-decreet, gericht tegen Achmatova en twee Leningradse kranten, Zvezda en Leningrad. De poëzie van Achmatova werd bestempeld als `vreemd aan de geest van de Sovjet-volkeren' en zijzelf werd jarenlang gebrandmerkt als `half-non, half-hoer'.' (in Anna Achmatova in the Fountain House, 2003).

Achmatova is tweemaal getrouwd geweest met mannen die door het regime werden omgebracht. Dat herinnert aan een furieuze passage uit het essay van Joseph Brodsky over Nadezjda Mandelstam: `Van de eenentachtig jaren van haar leven bracht Nadezjda Mandelstam er negentien door als de vrouw van de grootste Russische dichter van de eeuw, Osip Mandelstam, en tweeënveertig als zijn weduwe. De rest was jeugd en kinderjaren. In ontwikkelde kringen en onder literatoren verleent de status van weduwe van een groot man al veel aanzien. Dat is vooral waar in Rusland, waar in de jaren dertig en veertig het regime zo efficiënt schrijversweduwen produceerde dat er in het midden van de jaren zestig genoeg van hen waren om een vakgroep te vormen..' (in Less than One, 1987).

Ronddwalen in Sint-Petersburg brengt het gedicht `Leningrad' van Mandelstam in de herinnering, met daarin de regels: `Petersburg! Ik wil nog niet doodgaan!/ Je kent mijn telefoonnumers./ Petersburg! Ik heb nog altijd de adressen:/ Ik kan dode stemmen opzoeken.' Je probeert je de naamloze verschrikking van de Stalintijd voor te stellen, maar het lukt niet – `Volgens berekeningen van historici bevonden zich begin 1937 vijf miljoen mensen in gevangenissen en kampen. Tussen Januari 1937 en December 1938 werden er nog eens zeven miljoen gearresteerd, van wie er een miljoen werden geëxecuteerd en twee miljoen in de kampen omkwamen.' (Peter Zeeman, Osip Mandelstam, 1992).

In de tijd van het Randolph Churchill-incident woonde Joseph Brodsky in het nog bestaande huis op de hoek van de Pestelja Ulitsa en de Litejnij Prospekt nr. 24, waar beneden op de muur bij de ingang nog de boodschap staat geschilderd dat `bij gaslucht nummer 01 moest worden gebeld'. Over zijn Petersburgse (of Leningradse) oorsprong schreef Brodsky in een gedicht: `Ik ben geboren en getogen in Oostzee-moerassen, bij/ golven, grijs als zink en altijd twee aan twee –/ vandaar mijn rijmen (–)/ Leunend op een elleboog/ vangt de oorschelp hier geen wiegend ruisen op,/ maar het kletsen van een doek, van luiken, handen of een ketel/ kokend op een oliestel – ' (vertaling Kees Verheul).

Die golven, grijs als zink en steeds twee aan twee, zijn er nog altijd als je langs de Neva loopt. Maar wat mij uit dat gedicht nog sterker is bijgebleven is het oliestel – daarvan waren er in Nederland nog ettelijke in gebruik toen ik uit Indië kwam en ik kan me nog goed herinneren hoe het rook als je ergens binnenkwam. Die petroleumgeur, karakteristiek en penetrant, komt ook voor in een ander Leningrad-gedicht van Mandelstam – in de vertaling van Peter Zeeman: `Jij en ik, we gaan wat in de keuken zitten,/ Zoet ruikt de witte kerosine...' Dan volgt nog een verwijzing naar het oppompen van een primus, ook iets dat bij mij een stroom van herinneringen oproept; het verdere gedicht is een evocatie van het verlammende gevoel van bloot staan aan vervolging en zich ergens moeten verbergen `waar niemand ons zou vinden'.

Dat is waar Leningrad in die jaren naar geroken moet hebben: petroleum. Gaslucht, dat was nog luxe. Het wordt tijd dat ik nu de naam noem van degene die mij bij deze Petersburgse geuren levendig voor de geest komt: Karel van het Reve. Het zijn niet alleen de gedichten van Mandelstam, Achmatova en Brodsky die mij hebben aangezet tot deze bedevaart naar Sint-Petersburg; een nog oudere en diepere drijfveer was Karel van het Reve's Geschiedenis van de Russische literatuur, een van de bijzonderste boeken die er bestaan. Als alle Russische literatuurgeschiedenissen al lang zijn verramsjt en vergeten zal dit boek nog altijd op eenzame hoogte staan en doorgaan de mensen te infecteren met een levenslange liefde voor de Russische literatuur. Het is te danken aan dit boek – plus in zekere mate aan Rusland voor beginners en De literator en de holbewoner – dat ik de moed had de expeditie te ondernemen naar het Volkov kerkhof, waar zich het graf bevindt van een van de allergrootste schrijvers uit de wereldliteratuur, Ivan Toergenjev.

Er was inderdaad moed voor nodig: in de meeste boeken over Toergenjev staat wel een afbeelding van de uit duizenden mensen bestaande rouwstoet op weg naar het Volkov-kerkhof, dat toen nog buiten de stad was gelegen; de naam Volkov verwijst naar de wolven die dat gebied tot in de negentiende eeuw nog onveilig hebben gemaakt. De weg erheen leidt nu door eindeloze grauwe voorsteden die herinneren aan de industriële banlieue in het noordoosten van Parijs.

Binnen dat wolvenkerkhof bevindt zich een min of meer aparte afdeling, bekend als het Literatorskije mostki, het Podium der literatuur, waar een aantal illustere schrijvers en geleerden zijn begraven. Zo zagen we daar het graf van Pavlov, de ontdekker van de geconditioneerde reflex, en van Mendelejev, de vader van het Periodiek Systeem der Elementen dat ik zoals zovelen in mijn jeugd nog uit het hoofd heb geleerd, en dat van Gontsjarov, door wie Toergenev nog van plagiaat is beschuldigd. Ook die van Aleksandr Blok en de criticus Vissarion Belinski. Nu liggen ze daar allemaal bij elkaar op het Podium der literatuur.

Het voorjaar, dat in Nederland al was begonnen, vertoonde zich in Sint- Petersburg nog zo weinig mogelijk. Grijs licht kroop aarzelend tussen de kale takken van de kerkhofbomen door. Het Podium lag er vrij kil bij: de grond had iets kaals, de aarde daar ziet er soms uit of zij zich schaamt zonder sneeuw – maar voor mij was het heilige grond, want daar stond ik dan tenslotte bij het graf van Toergenjev. Om het te zien had ik dezelfde afstand overbrugd als tsaar Peter meer dan drie eeuwen geleden, en bijna dezelfde als Toergenjev zelf na zijn dood, want hij stierf niet in Petersburg maar in Parijs, in 1883. Zo trof ik hem dan eindelijk, want daar, onder een grote zwarte zerk en een zuil met een (prachtig) borstbeeld (door een zekere A. Polonskaya, die ook de maker is van een monument voor Poesjkin in Odessa), daar moet toch liggen wat eens Ivan Toergenjev is geweest, de schrijver van enkele van de mooiste romans van de negentiende eeuw, waaronder Vaders en zonen, Lentebeken en Eerste liefde; dezelfde Toergenjev die zo door dik en dun heeft gehouden van een getrouwde vrouw genaamd Pauline Viardot; een groot pessimist, ondanks zijn pogingen het te verbergen een vertwijfeld mens.

In De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne beschrijft Toon Tellegen zijn overgrootvader, geboren in 1835, die `op het laatst van zijn leven zo somber was dat mensen hem meden. Hij zuchtte en steunde onafgebroken. Alleen zijn vrouw, mijn overgrootmoeder, zorgde nog voor hem (...) Hij zou hebben geleden aan wat in Rusland `houten wanhoop' heette.'

Wie leed er nog meer aan houten wanhoop? Blaise Pascal, vermoedelijk de filosoof die Toergenjev het meest bewonderde. Van Toergenjev afkomstig is dan ook het voorschrift dat mensen de plicht hebben om extreme radeloosheid te verbergen. Dat behoort tot de goede manieren.

Een van de dingen waarvoor Karel van het Reve mij de ogen heeft geopend is dat Toergenjev een groter schrijver was dan Dostojevski en zelfs dan Tolstoj. Ergens in Rusland voor beginners citeert Van het Reve de uitspraak van E(hrenburg): `Neem Walter Scott: zijn genre is verouderd en zijn boeken ook. Terwijl Toergenjevs genre ook verouderd is, maar zijn romans niet. E. merkte ook nog op dat het zich niet opdringen aan de lezer inderdaad iets was dat Toergenjev van Tolstoj en Dostojevski onderscheidde...'

Over Toergenjev schrijft Karel van het Reve (in de Geschiedenis): `Van de grote Russische schrijvers was hij de geleerdste en de verstandigste. Hij kende Duits, Frans, Engels, Spaans, Italiaans, Grieks, latijn, en was vrij goed thuis in de literatuur van die talen. Hij wist heel wat meer af van geschiedenis en filosofie – en liet zich er voorzichtiger over uit – dan bijvoorbeeld Dostojevski en Tolstoj – om van Gogol te zwijgen.'

Zowel André Maurois als V.S. Pritchett noteerden in hun biografieën dat Toergenjev aan de gebroeders Goncourt vertelde dat hij timide was in zaken van liefde; hij benaderde vrouwen met respect, emotie en was verbaasd, zo zei hij, over zijn geluksgevoel. En toch had hij de reputatie onder de vrome aristocratische dames van Petersburg dat hij `immoreel leefde'. Ze bedoelden dat hij de orthodoxe kerk verworpen had. Wat hem verweten werd was dat hij `niet in staat was de spirituele kant van de dingen te begrijpen of te voelen'.

De juiste omschrijving, denk ik, is dat Toergenjev vrij was van ieder fanatisme verbonden aan een geloofsovertuiging. Iets dat op een subtiele manier getoond wordt in de romans van Toergenjev is dat atheïsme bewonderenswaardiger is dan geloof.