Beleid maken op de tast

Een van de moeilijkste dingen van het vak van politicus of beleidsmaker is het moeten beslissen op basis van zachte gegevens. Hoe lang duurt het tot wetenschappers een waterdicht bewijs kunnen leveren van het bestaan van een broeikaseffect? Moet je al die tijd wachten met het nemen van maatregelen? Wat is het beste voor gehandicapte kinderen? Ontwikkelen zij zich het best in een klas vol gezonde, goed presterende medeleerlingen? Of is het heel erg naar om te functioneren in een klas waar andere kinderen altijd beter zijn? Zullen er hechte vriendschappen ontstaan of blijven gehandicapte kinderen buitenbeentjes? En wat zijn de effecten van gehandicapte klasgenootjes op de rest van de klas? Worden de andere kinderen daardoor socialer en leren ze niet meteen alles gek te vinden? Of krijgen ze minder aandacht van hun juf en heeft dat een negatieve uitwerking op hun schoolresultaten? Hoeveel en wat voor wetenschappelijk bewijs heb je nodig om een weer-samen-naar-school-beleid in te voeren of het af te schaffen?

Het fenomeen van `beleid maken op de tast' speelt misschien wel het sterkst bij het integratiebeleid. Onlangs verscheen Bakens voor spreiding en integratie, een nieuw rapport van de Onderwijsraad, gebaseerd op een aantal empirische studies die apart werden gepubliceerd in een bundel. Moeten politici een actief desegregatiebeleid gaan voeren en zo ja, hoe dan, was de centrale vraag van de Onderwijsraad. Er zijn een aantal middelgrote gemeenten waar een spreidingsbeleid werd of wordt gevoerd: Ede, Gouda, Tiel en Deventer. Heeft het beleid daar gewerkt?

De Onderwijsraad probeerde na te gaan wat het effect is geweest van het spreidingsbeleid op de leerprestaties van allochtone en autochtone kinderen. Dat bleek niet systematisch te zijn bijgehouden, maar zelfs waar dat wel was gebeurd, was het niet goed mogelijk positieve effecten zonder meer toe te schrijven aan het spreidingsbeleid. Om dat te kunnen doen zou je de groep allochtone kinderen die een gemengde school bezochten, moeten vergelijken met een `controlegroep' van allochtone kinderen die onderwijs volgden op een zwarte school. Je zou erop moeten toezien dat de ouders van de kinderen in de gemengde schoolgroep ongeveer even hoog of laag opgeleid zouden zijn als de ouders van leerlingen in de zwarte schoolgroep. Beide groepen zouden een even goede onderwijzer moeten treffen.

De Onderwijsraad inventariseerde de beschikbare aanwijzingen uit binnen- en buitenlands onderzoek en slaagde er niet in daaruit eenduidige gegevens te destilleren die zouden kunnen pleiten voor of tegen een spreidingsbeleid. Gemiddeld getalenteerde autochtone kinderen gaan iets minder goed rekenen als zij terechtkomen in een klas met overwegend leerlingen van Turkse herkomst. Allochtone kinderen gaan beter Nederlands spreken als zij terechtkomen in gemengde klassen. Dat hoeven niet per se klassen te zijn met autochtone kinderen; zolang er niet te veel kinderen met dezelfde thuistaal in de klas zitten, wordt er Nederlands gesproken op het schoolplein. Zwarte scholen halen lagere scores op taal en lezen dan gemengde scholen, maar zijn weer relatief goed in rekenen.

Wat moet je met dergelijke gegevens? Stel dat je op basis van die laatste gegevens besluit tot een spreidingsbeleid, zeg je dan ook dat taal belangrijker is dan rekenen? Of is taal gewoon belangrijker dan rekenen en is het daarmee wel in de haak?

Nog ingewikkelder wordt het als het verbeteren van leerprestaties niet je voornaamste doel is. Je hebt op basis van intuïtie of gezond verstand het gevoel dat het niet goed is als kinderen opgroeien in een etnische enclave in een land dat zij alleen maar leren kennen via hun leerkracht op school. Je was zelf een kind dat na één week zomerkamp in het gezelschap van Rotterdamse kinderen terugkeerde met een zwaar Rotterdams accent, tot ontzetting van je ouders en je hebt het idee dat autochtone kinderen op een zwarte school in hetzelfde hoge tempo Turkse of Marokkaanse accenten opdoen. Je kent je eigen autochtone landgenoten en je meent te weten dat werkgevers een Turks of Marokkaans accent niet charmant vinden. Zo'n accent pleit tegen een sollicitant.

Je hebt het idee dat het niet goed is voor het zelfrespect van allochtone kinderen om op te groeien in aparte buurten, op aparte scholen. Dat zou kunnen leiden tot vijandige gevoelens ten opzichte van de autochtone meerderheid. En zouden die gevoelens bij sommige kinderen niet kunnen leiden tot crimineel gedrag? Zou het niet goed zijn voor allochtone en autochtone leerlingen om de zandbak, de gymzaal en het schooltoneel samen te beleven?

Je weet absoluut zeker dat het nooit mogelijk zal zijn om dit soort verbanden vast te stellen in wat medici aanduiden als een `randomized clinical trial'. Moet je daarom maar afzien van spreidingsbeleid? De Onderwijsraad meent van niet. In een verstandig advies biedt de raad gemeentelijke politici en schoolbestuurders handreikingen om een spreidingsbeleid te voeren met zo min mogelijk negatieve effecten.

En nu maar hopen dat wethouders en schoolleiders die dat advies ter harte nemen, niet worden teruggefloten door de Commissie Gelijke Behandeling.