Alexandrië 642

In het ezelsbruggetje `KAZEMAT' vormen de kapitalen de beginletters van de zeven wonderen van de Oude Wereld. De eerste A staat voor Alexandrië en de tweede voor de Artemistempel in Ephese, maar eigenlijk hadden ze allebei op Alexandrië kunnen slaan. Want de Egyptische stad aan de Middellandse Zee kon in de Oudheid niet alleen bogen op de Pharus, de grootste vuurtoren ter wereld, maar ook op de immense Bibliotheek van het koninklijk paleis. Een half miljoen boekrollen waren er opgeslagen, en in in het Mouseion (Muzenhuis) waarvan het onderdeel uitmaakte, studeerden of doceerden antieke genieën als de wiskundige Euclides, de astronoom Aristarchus en de dichter Callimachus.

Wat de Bibliotheca Alexandrina met de andere wereldwonderen (behalve de piramiden) gemeen heeft, is dat er al in de Middeleeuwen niets meer van over was. En juist de in nevelen gehulde verdwijning – achtereenvolgens toegeschreven aan de Romeinen, de christenen en de Arabieren – spreekt nog steeds tot de verbeelding. Bijvoorbeeld tot die van de Franse schrijver en astrofysicus Jean-Pierre Luminet, die er in 2003 zijn roman Le bâton d'Euclide aan wijdde. Luminet begint zijn verhaal bij wat hij als het einde beschouwt: de inname van Alexandrië in 642 na Christus, door de moslimlegers van kalief Omar I. In de veroverde maar nog niet geplunderde Bibliotheek ontvangt de oude Philoponus de Arabische opperbevelhebber Amr ibn al-As. Om hem te overtuigen van de noodzaak om het `universum in boekrollen' intact te houden, vertelt hij hem dag na dag de geschiedenis van dit centre of excellence. En bij deze Sheherazade-achtige manoeuvre wordt hij bijgestaan door zijn mooie, wijze nichtje Hypatia en de oude jood Rhazes.

In drie `lessen' (van Philoponus), drie `gezangen' (van Hypatia) en vier `pamfletten' (van Rhazes) krijgt Amr te horen hoe de koningen van Egypte vanaf de derde eeuw voor Christus de collectie met slinkse trucs opbouwden. Zo betaalde Ptolemaeus III een klein fortuin voor het recht om de in Athene bewaarde tragedies van Aeschylus, Sophocles en Euripides af te schrijven – waarna hij alleen de kopieën teruggaf. Zijn voorganger kidnapte 72 joodse geleerden om hen te dwingen tot de eerste Griekse vertaling van het Oude Testament: de zogeheten Septuagint. En honderden jaren lang werd ieder schip dat Alexandrië aandeed doorzocht op boeken, die vervolgens werden geconfisqueerd of in de werkplaatsen van de bibliotheek gekopieerd.

Generaal Amr is aanvankelijk niet onder de indruk. `Uw bibliotheek doet me denken aan de toren van Babel,' zegt hij. `Alle geschriften ter wereld verzamelen is een even zware zonde als proberen tot aan de hemel te bouwen.' Maar als zijn drie gesprekspartners ook de prestaties van de grote wetenschappers uit het verleden uit de doeken doen, begint hij in te zien dat de islam zijn voordeel kan doen met de verzamelde kennis. Uiteindelijk verzoekt hij zijn kalief om de Bibliotheek te mogen sparen. Maar Omar is onvermurwbaar, ook al omdat hij bang is dat Amrs prestige als redder van Alexandrië zijn gezag zal ondermijnen. Hij schrijft een brief met de mededeling die hem tot de zwartepiet in de geschiedenisboekjes heeft gemaakt: `Wat de boeken betreft [...]: als de inhoud overeenstemt met het boek van Allah, kunnen wij erbuiten, omdat de koran in dit geval meer dan voldoende is. Als ze daarentegen iets bevatten wat afwijkt van de woorden van de Barmhartige tot de profeet, bestaat er geen enkele reden ze te behouden. Voer uw taak uit en vernietig alles.' Waarna de ovens en warme baden van Alexandrië brandstof voor maanden hadden.

Luminet heeft alle spectaculaire verhalen over de bibliotheek (inclusief die over Caesar en Cleopatra en Antonius) op een mooie manier in zijn verhaal gevlochten. Wel jammer is het dat hij er niet in slaagt om van zijn romanfiguren meer dan spreekbuizen voor zijn geschiedenisles te maken; de dood van Philoponus laat de lezer koud, en de romantic interest tussen Amr en Hypatia is weinig overtuigend. Luminet heeft zich bij zijn compositie vooral laten leiden door Het ware verhaal van de Alexandrijnse bibliotheek (1986) van de Italiaanse wetenschapper Luciano Canfora. Dat staat overigens in het nawoord, en doet weinig af aan het plezier voor de lezer. Er bleef ruimte genoeg over voor Luminets eigen interesse, de astronomie; want een van de belangrijkste discussies die in de derde eeuw voor Christus in Alexandrië werden gevoerd, was over de stelling van Aristarchus van Samothrace dat de aarde om de zon draait en niet omgekeerd. De filosofen wonnen het van de wetenschappers omdat ze de steun van de behoudende koning hadden. Tot de late Middeleeuwen, toen Nikolaus Copernicus het stokje van Aristarchos overnam, zou het `Ptolemaeïsche' wereldbeeld (genoemd naar de latere cartograaf en sterrenkundige Claudius Ptolemaeus) de overhand hebben.

`De stok van Euclides' heet de roman van Luminet in Frankrijk, naar het eerbetoon dat de briljantste geesten van Alexandrië aan elkaar doorgaven (zoals topacteurs de Albert van Dalsum- en Theo Mann Bouwmeesterring). Een echt aantrekkelijke titel is dat niet, en de Nederlandse uitgever heeft er goed aan gedaan die te veranderen. Oorspronkelijk was de roman aangekondigd als `Alexandrië 642', een originele verwijzing naar `Fahrenheit 451', zowel de titel van een beroemd boek als de temperatuur waarbij papier brandt. De roman is nu uitgebracht als De bibliotheek van Alexandrië – een passend letterlijke titel voor een fascinerend rechttoe-rechtaan boek.

Jean-Pierre Luminet: De bibliotheek van Alexandrië. Roman over de antieke wereld (Le bâton d'Euclide). Uit het Frans vertaald door Ineke Mertens. Gianotten, 286 blz. €25,– (gebonden).