Hoedt u voor een Frans Europa

In Brussel zal een `Europees Elysée' ontstaan dat in omvang en staatsie niet zal onderdoen voor het Parijse Elysée en waarbij de betekenis van de Europese Commissie verder zal verbleken, meent H.A.L. Vijverberg.

In het Franse weekblad Le Point richtte Giscard d'Estaing, oud-president van Frankrijk en voorzitter van de Conventie die de nieuwe Europese Grondwet opstelde, zich onlangs tot de grote groep potentiële nee-stemmers in zijn land met de woorden: ,,Men stemt niet tegen verbeteringen! De Grondwet geeft uitvoering aan een Frans project. De Franse conceptie ligt aan deze tekst ten grondslag.''

Met dit laatste punt heeft de `godfather' van de Europese Grondwet helaas volstrekt gelijk, met name op institutioneel gebied. Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht in het publieke debat in Nederland geschonken wordt aan het meest essentiële van de nieuwe Europese Grondwet, namelijk aan de fundamentele en structurele wijzigingen in het `staatsbestel' van de Unie. Ik doel op de grote machtsverschuiving binnen de Unie, ten nadele van de lidstaten en van de Europese Commissie en ten gunste van de Europese Raad, de Europese President en de Europese minister van Buitenlandse Zaken.

Het huidige tussen de lidstaten roulerende voorzitterschap van de Europese Raad (staatshoofden en regeringsleiders) komt in handen van een voor vijf jaar te benoemen permanente Europese President en het eveneens roulerende voorzitterschap van de Ministerraad (van Buitenlandse Zaken) komt in handen van een voor vijf jaar te benoemen Europese minister van Buitenlandse Zaken.

Giscard d'Estaing heeft wederom gelijk als hij (letterlijk ) zegt: ,,In de toekomst hebben wij een President, die de echte chef van Europa zal zijn, ook tegenover de Voorzitter van de Europese Commissie! Het is een systeem vergelijkbaar met dat van de Vijfde (Franse) Republiek.''

De Europese President wordt gekozen met (gekwalificeerde) meerderheid door de Europese Raad, d.w.z. dat de daarin zetelende staatshoofden en regeringsleiders als `moderne keurvorsten' de Europese President kiezen. Het Europees Parlement komt er niet aan te pas, en de kiezer al evenmin.

Ook de Europese minister van Buitenlandse Zaken, d.w.z. de voorzitter van de Ministerraad (van Buitenlandse Zaken) wordt door de Europese Raad benoemd, zij het dat instemming van de Voorzitter van de Europese Commissie vereist is.

Het is duidelijk dat dit Europese Presidentschap zich zal ontwikkelen tot een Presidentschap naar Frans model, waarbij de President geen verantwoording aflegt tegenover het Parlement en waarbij de Commissievoorzitter en zijn Commissie (zoals de Franse Eerste Minister en zijn regering) belast worden met de uitvoering van besluiten c.q. instructies van de Europese Raad en de Europese President.

Bovendien zal (zoals in Frankrijk) de Europese President de Europese Unie in het buitenland vertegenwoordigen op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, daarin bijgestaan door de Europese minister van Buitenlandse Zaken.

Kortom, in Brussel zal een `Europees Elysée' ontstaan dat in omvang en staatsie niet zal onderdoen voor het Parijse Elysée en waarbij de betekenis van de Europese Commissie verder zal verbleken.

Naast en praktisch ondergeschikt aan de President zal de Europese minister van Buitenlandse Zaken fungeren, die niet alleen belast zal worden met het Europese buitenlands beleid, doch ook met het Europese veiligheids- en defensiebeleid. Onder zijn verantwoordelijkheid zal voorts ook het Europese Defensieagentschap functioneren.

Deze Europese minister van Buitenlandse Zaken zal beschikken over een eigen Europese diplomatieke dienst in alle landen waarmee de Unie diplomatieke betrekkingen onderhoudt, dat wil zeggen dat er naast de nationale ambassades van de 25 lidstaten wereldwijd ambassades van de Europese Unie zullen worden opgericht. Deze Europese ambassades en hun ambassadeurs zullen in het buitenland uitvoering geven aan het Europese buitenlandse en veiligheidsbeleid en aldus aan de instructies van de Europese President en de Europese minister van Buitenlandse Zaken. Een en ander impliceert de instelling van een groot Europees ministerie van Buitenlandse Zaken.

De Europese minister van Buitenlandse Zaken is bovendien de permanente voorzitter van de zogenoemde Algemene Raad van Ministers, belast met het Europese buitenlandse beleid en met het veiligheids- en defensiebeleid, alsmede met de coördinatie van de zogenoemde vakministerraden (zoals van Economie en Financiën, van Landbouw, van Ontwikkelingssamenwerking, etc.).

Deze Europese minister wordt, aldus Giscard d'Estaing, de `spil' van de Raad van Ministers, ,,donc reconnu comme le premier d'entre eux.''!

Ten slotte is hij ook nog Commissaris en zelfs vice-voorzitter van de Europese Commissie. Waarlijk een ,,polyvalente spin in het Europese web''.

Als Europese minister van Buitenlandse Zaken brengt hij weliswaar periodiek verslag uit aan het Europees Parlement, maar hij kan niet door het Parlement ter verantwoording worden geroepen en tot aftreden worden gedwongen. Hij kan uitsluitend ter verantwoording worden geroepen als lid van de Commissie en tot aftreden worden gedwongen, als het Parlement een motie van wantrouwen aanneemt en de Commissie in haar geheel naar huis stuurt. Een motie van wantrouwen tegen een individuele commissaris is niet voorzien, hoewel het Parlement dat steeds heeft gewenst.

Met het `koppel' van de Europese President en de Europese minister van Buitenlandse Zaken (waaronder veiligheid en defensie) krijgt de Unie, zoals Giscard d'Estaing impliciet stelt, een presidentieel regiem ,,à la Française'', waarop het Europees Parlement en de Europese Commissie geen of nauwelijks enige greep hebben en de Europese Raad slechts in beperkte mate, gezien de zeer sterke positie die het `koppel' zal bekleden binnen en tegenover die Europese Raad. De transparantie en de democratisering van het Europese bestel worden door de bovenstaande ontwikkelingen bepaald niet bevorderd. Integendeel.

Tot slot een enkele opmerking over de zich wijzigende machtsverhoudingen tussen de lidstaten binnen de Instellingen van de Raad en bij de Europese besluitvorming. Belangrijke zaken (zoals het aantal zetels per lidstaat in het Europees Parlement, het stemgewicht van elke lidstaat in de Ministerraad etc.) worden in de toekomst bepaald door het aantal inwoners per lidstaat, ook voor de juist toegetreden lidstaten en voor de kandidaat-landen Bulgarije, Roemenië en Turkije.

Dat moge democratischer klinken dan de huidige zetelverdelingen en stemverhoudingen, doch men dient te bedenken dat een toetredend land als Roemenië meer zetels in het Parlement en meer stemgewicht in de Ministerraad zal hebben dan Nederland. Is het wel gerechtvaardigd dat in de huidige situatie het ,,soortelijk gewicht'' van een lidstaat uitsluitend bepaald wordt door het inwonertal en dat andere factoren, zoals het bruto nationaal product, de financiële bijdrage en dergelijke volledig buiten beschouwing worden gelaten? Zo ja, dan betekent dat ook dat die lidstaten naar evenredigheid politieke en ambtelijke functies mogen claimen binnen de Instellingen van de Unie (Raadssecretariaat, Commissie, de Europese diplomatieke dienst etc.). Na toetreding van Turkije zal dat land dan zelfs vóór Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk de grootste claim op tafel kunnen leggen.

Ik ben van oordeel dat het bovenstaande door onze politici volstrekt onvoldoende aan de kiezers is uitgelegd en dat de officiële voorlichting eenzijdig positief is en ernstig tekortschiet. Een referendum is immers alleen zinvol als de kiezer, anders dan bij parlements- en gemeenteraadsverkiezingen, zo objectief mogelijk is voorgelicht.

H.A.L. Vijverberg is oud-ambassadeur in Polen en Griekenland.