`Enig punt was relatie tot mark'

Voor de invoering van de euro was sprake van een mogelijke onderwaardering van de gulden, overigens enkel ten opzichte van de mark, stelt DNB-president Wellink. Maar Nederland had zijn instapkoers niet zelf kunnen veranderen.

Zelden heeft De Nederlandsche Bank zo'n storm over zich heen gehad als de laatste weken. Vanaf het moment dat directielid Henk Brouwer eerder deze maand in een vraaggesprek met dagblad Het Parool aangaf dat er in de aanloop naar de euro sprake was van een onderwaardering van de gulden tegenover de Duitse mark, ligt de euro onder vuur. En lijdt de Europese Grondwet in het referendum van 1 juni aanstaande extra schade.

Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank (DNB), presenteerde vanmorgen het jaarverslag van de centrale bank in Amsterdam. In een vraaggesprek, dat eergisteren werd afgenomen, verklaart hij hoe het destijds ging met de besluitvorming rond de koers waartegen de gulden de euro in ging. ,,Alle deelnemende landen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) hebben in de aanloop naar de invoering van de euro per 1999 naar de koers van hun eigen munt gekeken'', zegt Wellink. ,,De algemene conclusie was dat er al jarenlang stabiliteit was van de munten ten opzichte van elkaar. Met de instapkoers van de gulden ten opzichte van de euro was dan ook niets mis.''

Wellink benadrukt dat het een puur theoretische exercitie is om de `juiste' koers van munten ten opzichte van elkaar te bepalen. DNB kwam destijds tot de conclusie dat de koers van de gulden gemiddeld ten opzichte van de andere munten van de aanstaande EMU-deelnemers goed was, maar dat er tegenover de Duitse mark ,,een afwijking van de theoretische koers'' was – een onderwaardering. ,,Tegen de Duitsers hebben we dat en passant gezegd. Maar die keken daar anders tegenaan: de reden was volgens hen dat de gulden niet sterker was geworden, maar de Duitse mark zwakker. Bovendien piekerden zij er niet over om voor een herschikking van een paar procenten het hele stelsel van onderlinge koersen overhoop te gooien.''

Wellink stelt dat daarmee de kous af was. ,,De regels in het Verdrag van Maastricht, waarin de procedure rond de euro was vastgelegd, waren dat een lidstaat in de twee jaar vóór de invoering van de euro zijn eigen munt niet op eigen initiatief mocht herwaarderen.'' Hij zegt dat er destijds geen officieel punt van de gulden is gemaakt tegenover Duitsland. ,,De insteek was om even te peilen of we de euro in konden gaan met de geldende koersen van destijds. Het enige mogelijke spanningspunt was voor ons de verhouding tot de mark. Maar nogmaals: iedere lidstaat die wilde toetreden tot de monetaire unie was toen aan het rekenen.''

Zelf is Wellink er achteraf geenszins rouwig om dat het zo gelopen is. Weliswaar had Nederland, vooral door loonmatiging, op het gebied van prijsontwikkeling een voorsprong opgebouwd op Duitsland die een sterkere guldenkoers tegenover de D-mark eventueel had kunnen rechtvaardigen. Maar, zo stelt hij, vanaf 1996 kalfde de concurrentiepositie van het snel weer duurder wordende Nederland al weer sterk af. Bij een opwaardering van de gulden per 1999 had dat proces een extra duw gekregen, waardoor de daaropvolgende economische malaise misschien wel erger was geweest. Bovendien was de koppeling tussen de mark en de gulden de sterkste van heel de EU, zodat er de facto al sprake was van een Duits-Nederlandse monetaire unie. ,,Duitsland en Nederland waren al zwaar verloofd, en een bruid loopt vlak voor het huwelijk niet weg.''

De echte zorgen over de euro zijn volgens Wellink van een geheel andere orde. De Europese Centrale Bank, waar hij bestuurslid van is, heeft met lede ogen gadegeslagen dat het Stabiliteitspact dat moest zorgen dat de begrotingen van de lidstaten niet uit de hand zouden lopen, dit voorjaar danig is afgezwakt.

Nu ook gebleken is dat de begroting van Portugal uit de hand loopt, en Griekenland en Italië trucs hebben toegepast om hun staatsfinanciën beter te doen voorkomen dan in werkelijkheid het geval is, wordt het volgens Wellink zaak om nieuw toetredende landen tot de euro streng te toetsen. ,,De dynamiek van de nieuwe Oost-Europese lidstaten van de EU om ook de euro in voeren is sterk. Daar heb ik niets tegen, maar toetreding zal streng moeten worden beoordeeld: twee jaar een stabiele wisselkoers zonder spanningen, en vooral een begroting die op orde is. Een stabiel budget is per slot van rekening ook een uiting van politieke stabiliteit.'' Landen die dat niet kunnen leveren, verzwakken volgens Wellink het monetaire systeem, en daarmee de euro. ,,Het is dus niet vanzelfsprekend dat zij toetreden tot de euro. En dat is ook niet in het belang van landen als zij daar niet klaar voor zijn.'' Wellink wijst op Italië, dat er altijd aan gewend was zijn afkalvende concurrentiepositie tijdelijk op te vijzelen met een devaluatie van de lire. Dat kan met de komst van de euro niet meer en omdat het land de mechanismen en flexibiliteit mist om zich aan te passen, zit het nu in een diep economisch dal.

De Nederlandse economie floreert momenteel evenmin. Wellink denkt dat de prognose voor de economische groei neerwaarts zal worden bijgesteld tot 1 procent of zelfs minder in 2005. Toch is volgens hem de uitgangspositie van Nederland beter dan na afloop van de vorige conjuncturele dip van begin jaren negentig. Krijgt de euro nu via het referendum over de Grondwet de schuld? En had er eigenlijk destijds een referendum over de invoering van de Europese munt moeten zijn? ,,Ik ben geen voorstander van referenda. De euro is een te gecompliceerd onderwerp. Als er al een referendum had moeten zijn, had dat over de uitbreiding van de EU moeten gaan.''

De euro is volgens Wellink een onderwerp dat zich beter leent voor parlementaire behandeling. ,,Maar dan moet dat wel gedegen zijn.'' Het Verdrag van Maastricht, waarin tot de euro werd besloten, is volgens hem wat dat betreft onderschat. ,,Er is later vastgesteld dat het parlement destijds méér tijd en energie in de winkelsluitingstijdenwet heeft gestoken dan in de komst van de EMU.''