Meer problemen binnenlandse adoptie

Buitenlandse adoptiekinderen hebben minder problemen dan binnenlandse adoptiekinderen, blijkt uit vandaag verschenen onderzoek.

Eerst dachten Femmie Juffer en Rien van IJzendoorn wat iedereen denkt: kinderen die uit het buitenland worden geadopteerd krijgen vaker problemen dan binnenlandse adoptiekinderen. Ze zien er anders uit dan hun nieuwe ouders, ze komen uit een andere cultuur. Juffer en Van IJzendoorn dachten ook: hoe ouder het kind is bij de adoptie, hoe groter de kans op problemen later.

Het blijkt niet zo te zijn. Juffer en Van IJzendoorn, allebei als hoogleraar verbonden aan het Centrum voor Gezinsstudies van de Universiteit Leiden, analyseerden onderzoek van over de hele wereld dat tussen 1950 en 2005 naar adoptiekinderen werd gedaan; zij stelden vast dat kinderen die in hun eigen land worden geadopteerd twee keer vaker in de hulpverlening terechtkomen dan adoptiekinderen uit het buitenland. En dat kinderen die pas na een of twee jaar zijn geadopteerd niet meer problemen hebben dan kinderen die als baby komen.

De resultaten van het onderzoek van Juffer en Van IJzendoorn staan vandaag in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift JAMA, The Journal of the American Medical Association. Hun analyse betreft ruim 30.000 adoptiekinderen, meer dan er ooit in één onderzoek zijn opgenomen. Jaarlijks worden er wereldwijd 40.000 kinderen geadopteerd. In Nederland zijn het er tussen de 1.100 en de 1.300, tegenwoordig vooral uit China.

Voor dat verschil tussen binnenlandse en buitenlandse adoptiekinderen geven Juffer en IJzendoorn in hun onderzoek een aantal verklaringen. Een daarvan is: de zichtbaarheid van de adoptie door het verschil in uiterlijk tussen buitenlandse adoptiekinderen en hun nieuwe ouders. ,,Voor kinderen is het moeilijk te verwerken als ze pas laat horen dat ze geadopteerd zijn'', zegt Femmie Juffer. ,,Bij buitenlandse adoptiekinderen kan dat niet. Iedereen ziet het.''

Een andere verklaring is dat buitenlandse kinderen vaak worden afgestaan omdat ze ongewenst zijn – Chinese meisjes – of omdat de ouders te arm zijn om ze op te voeden. Binnenlandse adoptiekinderen hebben vaker moeders die verslaafd zijn aan drugs of alcohol, waardoor de kans op problemen later groter wordt. Of er zijn psychiatrische stoornissen die bij de kinderen tot problemen kunnen leiden. ,,We weten dat niet zeker'', zegt Juffer. ,,Het blijft speculatief.''

Bij alle geadopteerde kinderen komen meer gedragsproblemen en meer psychische problemen voor dan bij niet-geadopteerde kinderen. Maar ze krijgen lang niet allemaal zoveel problemen dat ze hulpverlening nodig hebben. Bij binnenlandse adoptiekinderen is het vier keer vaker dan bij niet-geadopteerde kinderen, bij buitenlandse adoptiekinderen twee keer vaker. Femmie Juffer: ,,Met de meeste geadopteerde kinderen gaat het gewoon goed.''

Het heeft haar niet echt verbaasd, zegt ze, dat de leeftijd waarop kinderen worden geadopteerd de kans op problemen niet blijkt te beïnvloeden. ,,Het was me altijd al opgevallen dat ook kinderen die kort na hun geboorte werden geadopteerd veel te lijden gehad kunnen hebben van verwaarlozing en ondervoeding. Wat veel belangrijker blijkt te zijn, is: de ommekeer die ze kunnen maken. Kinderen die het heel moeilijk hebben gehad kunnen zich goed herstellen, als ze de kans maar krijgen. De veerkracht is enorm.''

Daarom denkt ze dat de mensen die zeggen dat kinderen vooral bepaald worden door hun afkomst en niet door de omgeving ongelijk hebben. ,,De omgeving doet er wél toe. En ouders doen er ook toe.'' Een andere aanwijzing daarvoor die uit het onderzoek komt: geadopteerde kinderen hebben minder problemen naarmate ze langer bij hun nieuwe ouders zijn.

De grotere zichtbaarheid van buitenlandse adoptie verklaart waarschijnlijk ook waarom problemen zich vaak eerder voordoen dan verwacht: rond het zevende jaar, en niet pas in de puberteit. Femmie Juffer: ,,Na de kleuterleeftijd zijn kinderen in staat om ook de andere kant van de medaille te zien. Naast het blije aankomstverhaal komt het besef dat ze dus zijn afgestaan. En dat is moeilijk te begrijpen en te accepteren.''

Voor ouders is het goed om daarop voorbereid te zijn, zegt ze. ,,Het uit zich in gepieker, in teruggetrokken gedrag. Je ziet het makkelijk over het hoofd, want niemand heeft er last van. Maar als je het weet, is het wel mogelijk om een kind erbij te helpen. Dat kan grotere problemen later voorkomen.''