Aan de laars gelapt

Het ergste dat een goochelaar kan overkomen, is dat een buitenstaander in zijn trukendoos komt kijken. Dat verklaart wellicht waarom Italië zich met hand en tand heeft verzet tegen een onderzoek naar zijn staatsfinanciën van Eurostat, het statistische bureau van de Europese Commissie. De voorlopige uitkomst hiervan is dat in 2003 en 2004 begrotingstrucs zijn toegepast door Rome die het tekort minder hoog hebben doen voorkomen dan het geval was. Italië heeft in beide jaren de regels van het Stabiliteitspact overtreden. Nu is dat geen uitzondering meer: in Griekenland bleek vorig najaar dat er, door defensie-uitgaven buiten de boeken te houden, jarenlang met de cijfers was gesold. En het overschrijden van de maximumnorm voor het begrotingstekort van 3 procent van het bruto binnenlands product is in de twaalf eurolanden al bijna meer regel dan uitzondering. Portugal spant de kroon met een verwacht tekort van maar liefst 6,8 procent. Het Stabiliteitspact, dat de begrotingsdiscipline in het eurogebied moest bewaken, is nu vrijwel tandeloos.

Toch is Italië een speciaal geval. Allereerst is het een grote deelnemer aan de euro: het neemt een vijfde van de economie van het eurogebied voor zijn rekening. Daarnaast stond de staatshuishouding er al slecht voor. Het had en heeft de hoogste staatsschuld van de eurolanden, terwijl het begrotingstekort steeds verder uit de hand loopt. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelde gisteren in haar halfjaarlijkse economische vooruitblik dat het Italiaanse begrotingstekort dit jaar oploopt naar 4 procent en volgend jaar zelfs naar 5 procent. Tegelijkertijd wordt een economische krimp voorzien van 0,6 procent in 2005 en een uiterst mager herstel in 2006, met een groei van 1,1 procent. Politieke keuzes op de korte termijn zijn deels de oorzaak van deze slechte prestaties, maar er is zeker ook een structurele component. Italië was er aan gewend om van tijd tot tijd zijn munt, de lire, te devalueren en zo weer even lucht te krijgen voor zijn onvoldoende concurrerende economie. De toetreding tot de euro leidde er weliswaar toe dat de Italianen plotseling van een voor hun doen ongekend lage rente konden genieten, maar sneed de weg van de devaluatie af.

De OESO liet gisteren statistieken circuleren waaruit bleek dat sinds begin 2000 de loonkosten per eenheid product, een van de belangrijkste maatstaven van de concurrentiekracht in een land, in Duitsland en Spanje met nog geen drie procent gestegen zijn. In Frankrijk ging de maatstaf met bijna 13 procent omhoog; in Italië met een verontrustende 25 procent. Het land verliest zijn concurrentiepositie binnen de eurozone, en uiteraard ook daarbuiten, in een adembenemend tempo. Dat voorspelt weinig goeds. Budgettaire stimulering is om drie redenen geen optie: de Europese regels, een hoge staatsschuld die verhoudingsgewijs het dubbele is van die van bijvoorbeeld Duitsland, én de vergrijzing, die Italië straks buitenproportioneel treft.

Toetreding tot de euro vergde van Italië de flexibiliteit om zijn problemen op een andere manier op te lossen dan via de wisselkoers. Zulk beleid is achterwege gebleven en de problemen stapelen zich nu op. De vraag is gerechtvaardigd – ook voor de Italianen zelf – of het land destijds wel klaar was voor de muntunie.