Patiënt de dupe van nieuw stelsel

Zorgverzekeraars willen dat huisartsen met elkaar gaan concurreren om zo de korting op hun budget terug te verdienen. Een onzinnig idee, omdat geen patiënt daarop zit te wachten, meent Henk Schers.

De directeur zorg van Delta Lloyd, Hugo Keuzenkamp, mengde zich op 20 mei op de opiniepagina in de discussie over de huisartsenzorg. Zijn stuk `Huisartsen hebben toekomst, maar moeten wel veranderen', is tendentieus en helpt de discussie niet veel verder. Hij meent de werkelijke oorzaak van de acties te doorgronden: huisartsen zijn gefrustreerd over hun eenzame positie in de gezondheidszorg. Het is een gekke wereld. Patiënten, specialisten en andere gezondheidswerkers zien de huisarts veelal als de spil in een toenemend complexe gezondheidswereld, maar de verzekeraar vindt de huisarts een eenzame figuur.

Het tekent het onbegrip. Verzekeraars zijn vooral bezig met geld, markt, structuur en organisatie, terwijl huisartsen en patiënten allereerst naar de inhoud en kwaliteit van de zorg kijken. En die twee hebben meestal niets met elkaar te maken. De suggestie dat huisartsen in het conflict tevreden zouden zijn met wat `extra miljoenen' is onzinnig, en het beeld van de huisarts als een in zichzelf gekeerde ondernemer die niet met de tijd is meegegaan, is neerbuigend. Het conflict gaat over meer wezenlijke dingen, en dat zou Keuzenkamp in zijn positie mogen weten.

De Nederlandse Huisartsen Vereniging en het Nederlands Huisartsen Genootschap hebben al in hun `Toekomstvisie' beschreven waar het heen moet met de huisarts: samenwerkingsverbanden van meerdere huisartsen met inhoudelijke en administratieve ondersteuning en delegeren van managementtaken naar ondersteunend personeel. Maar met behoud van de eigen indentiteit: kwalitatief hoogstaande en persoonlijke zorg in de buurt van de patiënt. En de huisartsgeneeskunde is daar druk mee bezig. Daardoor vindt een toenemende verschuiving plaats van zorg van de tweede naar de eerste lijn, en er wordt doorgaans kwalitatief betere zorg geboden. We zijn dus veel verder dan Keuzenkamp wil doen voorkomen, maar een beroepsgroep kan natuurlijk niet van vandaag op morgen volledig gereorganiseerd worden, en ook niet overal even snel. Er zal bovendien moeten worden geïnvesteerd om deze veranderingen mogelijk te maken.

Keuzenkamp betoogt dat daartoe het budget voor de huisartsenzorg is uitgebreid. Dat is maar ten dele waar, want behalve voor achterstallig onderhoud hebben huisartsen daarvoor in de afgelopen jaren steeds meer werk verzet. Maar dat is het punt niet. Zijn opmerking gaat volledig voorbij aan de kern van het huidige conflict: minister Hogervorst heeft namelijk voorgesteld om de huisartsen in de komende jaren ongeveer 20 procent op het budget te korten. Dit betreft het praktijkonkostendeel, en dat heeft dus weinig met het eigen inkomen te maken. De minister heeft beloofd dat huisartsen dat geld weer kunnen terugverdienen, maar de manier waarop laat hij over aan de zorgverzekeraars. Die willen dat de huisartsen daarvoor met elkaar gaan concurreren. Een onzinnig idee, want geen patiënt zit te wachten op concurrentie tussen huisartsen.

De koepel van zorgverzekeraars heeft inmiddels bekendgemaakt dat huisartsen allerlei extra dingen moeten doen om het afgenomen geld weer terug te krijgen. Dat is vervelend, maar veel erger is het gevolg van deze oekaze voor de patiënten. Als deze financieringsstructuur doorgang vindt, zullen de huisartsen noodgedwongen de extra activiteiten gaan doen om hun assistentes en hulppersoneel nog te kunnen betalen. In tegenstelling tot wat Keuzenkamp denkt houdt dit veelal overbodige zorg in, en vaak zijn het zaken waar de zorgverzekeraars zelf goede sier mee kunnen maken. Daar heeft de patiënt helemaal niets aan, sterker nog, de basiszorg voor patiënten zal er ernstig onder lijden. In plaats van een zieke patiënt te bezoeken, zal de huisarts zich straks gedwongen voelen om extra verrichtingen te doen, en om cijfertjes te genereren waarmee hij zijn zorgverzekeraar kan paaien. Dat zal een belangrijk effect zijn van de marktwerking in de zorg.

Bovendien zit in de nieuwe financieringsvoorwaarden een ander belangrijk pijnpunt, het afleggen van verantwoording. Keuzenkamp constateert dat huisartsen dat niet willen. Huisartsen willen dat wel, maar ze vinden dat deze verantwoording niet alweer uit eigen zak betaald moet worden, en belangrijker: het mag niet ten koste gaan van de relatie tussen arts en patiënt. En dat laatste gaat gebeuren, de arts wordt in het nieuwe stelsel in zijn professionele autonomie geraakt. Huisartsen moeten straks informatie aan verzekeraars verstrekken, die de verzekeraar vervolgens kan gebruiken om de huisarts te `corrigeren' zoals Keuzenkamp dit eufemistisch noemt. Het nieuwe stelsel legt zo een enorme macht bij de verzekeraar en het schaadt in essentie de arts-patiënt relatie. Zelfs het medische beroepsgeheim wordt ervoor opgeofferd.

Als laatste wordt de kracht van het poortwachterstelsel betwist. Ook de minister wil daarom de inschrijving op naam niet langer wettelijk vastleggen. Er ligt echter, in weerwil van het OESO-onderzoek dat selectief wordt aangehaald, een stapel gedegen wetenschappelijk onderzoek dat onmiskenbaar laat zien dat de zorg in landen met een poortwachtersfunctie goedkoper en effectiever is. Schaarste aan huisartsen blijkt zelfs samen te hangen met vroegtijdige en voorkoombare sterfte.

De Nederlandse huisartsenzorg is veel te kostbaar om op te blazen. Om de huisartsenzorg toekomstbestendig te houden, is fatsoenlijke ondersteuning en financiering noodzakelijk. De huisartsen weten dat al lang. Regionale charme-offensieven van de zorgverzekeraars in de afgelopen weken laten zien dat het inzicht ook bij hen begint door te sijpelen. Alleen bij de minister ontbreekt nog ieder besef. Hij heeft verkondigd bezig te zijn met een militaire operatie. Eigenlijk behoort een minister te weten dat conflicten in een beschaafde wereld niet per decreet worden opgelost maar aan de onderhandelingstafel. Het wordt voor hem de hoogste tijd om daar weer terug te keren, in het belang van de Nederlandse patiënt.

Dr. H.J. Schers is verbonden aan de afdeling huisartsengeneeskunde van de Radboud Universiteit Nijmegen.

www.nrc.nl/opinie : Artikel Hugo Keuzenkamp