Nederland is zelfrespect kwijt

Op aanraden van een vriendin las ik de deze maand verschenen memoires van de 81-jarige Harry Fields, Turbulent Times, die verkrijgbaar zijn bij het Joods Historisch Museum in Amsterdam.

Fields emigreerde in 1947 naar de VS waar hij een succesvolle carrière maakte bij een chemisch concern (International Flavors & Fragrances). Hij was acht jaar toen hij in 1933 als joodse vluchteling samen met zijn ouders en broer uit Keulen in Zaandam belandde. Op de lagere school leerde hij in een jaar accentloos Nederlands spreken, hij volgde het lyceum (waar hij in de klas zat met zowel Albert Heijn, de latere Ahold-topman, als met Marcus Bakker, de latere communistische voorman). Tijdens de Duitse bezetting van Nederland nam de jeugdige vluchteling uit Duitsland nog kort deel aan het Nederlandse studentenverzet, maar begin 1942 gaf het gezin na veel aarzeling gehoor aan de oproep van de bezetters zich te melden in Westerbork. In 1944 volgde alsnog transport naar Bergen-Belsen, dat het gezin wonder boven wonder heeft overleefd.

Wat opvalt in Turbulent Times is de bijzondere warmte waarmee Fields over Nederland schrijft.

Hij is hier bijna zestig jaar geleden weggegaan om Europa en alle beklemming van de oorlog achter zich te kunnen laten, maar is met liefde blijven denken aan Nederland. ,,Een fatsoenlijk en goed land, waar ik bescherming kreeg en in vrede kon leven als Nederlander tussen de Nederlanders. Een klein maar moedig land, met waarden die bewondering wekken, dat mij een voortreffelijke opleiding en een kring van toegewijde vrienden bood. Hoewel militair overweldigd, bestreed het de nazi's op talloze manieren. Ik voelde me daar thuis en ik noem het met trots mijn aangenomen vaderland.''

Toen het gezin van Fields uit Duitsland moest vluchten, ging het af op ,,de welverdiende reputatie van gastvrijheid voor slachtoffers van religieuze vervolging'' die Nederland genoot. De regering stond onder druk van de nazi's om ,,vijanden van het Reich'' de toegang te weigeren, maar de Nederlanders ergerden zich daaraan en gaven onderdak aan vele Duitse vluchtelingen. Bekend was dat de ,,roode burgemeester'' van Zaandam, Ter Laan, ruimhartig verblijfsvergunningen regelde.

Nog altijd is Fields diep onder de indruk van het verzet. Hij was in Amsterdam tijdens de Februaristaking van 1941, ,,de enige grootschalige staking ter verdediging van de joden ooit door een volk gehouden tegen de Duitse onderdrukkers in enig door de nazi's bezet gebied''.

Fields schrijft onopgesmukt en authentiek. Er is geen reden om aan zijn met bewondering en dankbaarheid vervulde herinnering te twijfelen. Wie dit leest denkt niet: wat is Nederland toch een onverdraagzaam, laf, passief, verraderlijk land geweest in die inktzwarte tijd. Ik ben alles behalve een Nederlandse nationalist, maar voelde toch een zekere opluchting. Het boek biedt een tegenwicht aan de modieuze ontkenning van `goed en fout', of beter gezegd: aan de ontkenning van `goed' en het daarmee relativeren van `fout'.

De mode zegt: in die termen mag je niet denken. Fields zegt: ik heb in Nederland het goede ervaren. Dat werd wel weer eens tijd.

Ooit was er een mythe, een standaardverhaal over Nederlands heldendom. Daarvoor is de afgelopen jaren een ander standaardverhaal in de plaats gekomen, eveneens een mythe, door Jan Blokker naar aanleiding van de recente herdruk van Pressers Ondergang als volgt verwoord: ,,Een hele samenleving had haar joodse medeleden laten wegvoeren zonder veel meer dan een kik te geven, en had bovendien de `Entjudung' gefaciliteerd door hetzij actieve collaboratie, hetzij passief nietsdoen.''

Een hele samenleving? Geen kik? Er leven nog mensen die zich door dit soort generaliserende oordelen tot in het diepst van hun ziel beledigd voelen. Ik ken ze, zij vragen: hoorden wij dan niet tot de samenleving? Hoorde onze voor het executiepeloton of in het kamp omgekomen familie niet tot de samenleving?

Het voornaamste argument voor het nieuwe standaardverhaal – Nederland is geen tolerant en gastvrij land en het Nederlandse volk heeft meegewerkt aan de uitroeiing van het joodse volksdeel – is bekend. Het is de vreselijke waarheid dat nergens in bezet gebied zo'n hoog percentage van de joodse bevolking is weggevoerd en vermoord. Harry Fields is daarvan uiteraard ook op de hoogte. Het verzet was in zijn herinnering buitengewoon actief bij het verbergen van joodse onderduikers. De vergelijking met Denemarken die vaak wordt getrokken gaat niet op. ,,De Denen stuurden snel hun dertienhonderd joden met de pont naar Zweden. De Nederlanders hadden te maken met honderdveertigduizend joden en alle grenzen zaten dicht. De mensen die hulp boden riskeerden deportatie en executie. Niettemin zijn dertigduizend joden verborgen, velen twee of drie jaar lang, op zolders en in kelders, onder verschrikkelijke economische omstandigheden.''

Als Nederland excuses zou moeten maken voor de ramp dat van ons grondgebied zovelen zijn weggevoerd, dan zouden die excusues toch vooral betrekking moeten hebben op de overheid, of delen daarvan, zoals ambtenaren van politie en van bevolkingsregisters, die geen opdracht hadden gekregen van de vooroorlogse regering elke medewerking aan de Duitse maatregelen te weigeren. Wat de regering niet kan doen, is excuses maken voor ,,het Nederlandse volk''. Niet alleen omdat de joodse bevolking ook tot het Nederlandse volk behoort. Het is een belediging van de honderdduizenden die hun leven hebben gewaagd voor hun medemensen. Wat Fields zegt, is dat de verraders het Nederlandse volk niet vertegenwoordigden. Zij waren slechts ,,ellendige creaturen, meest NSB'ers, die tegen betaling hun medeburgers verraadden die de vervolgden hulp boden''.

Ik moet zeggen: dat lucht even op. Niet omdat het de aan de joden voltrokken massamoord zou relativeren, maar omdat je blijkbaar mensen als Fields – aan wie in Amerika de mythes en modes van de afgelopen decennia in Nederland voorbij zijn gegaan – nodig hebt om te mogen blijven denken in termen van respect voor Nederland.

Nederland is zijn zelfrespect kwijt.

Het is mode met dédain te spreken over de `sentimentaliteit' en het gebrek aan rationaliteit, die typerend zouden zijn voor hulp aan vluchtelingen, menselijk gevoel, solidariteit. Die mode is de moderne lafheid. Het is de afwijzing van engagement – of dit nu Europa of de mensenrechten geldt. Het is de ideologische en pseudo-historische rechtvaardiging van passiviteit en nukkige onverschiligheid.