In jaren vijftig wist burger wel beter

In de jaren vijftig had de burger een helderder kijk op het belang van Europese samenwerking dan nu. Hij besefte hoe belangrijk het overdragen van bevoegdheden was voor zijn eigen welvaart en voor de toekomst van Nederland. Het debat over de Europese Grondwet munt nu uit in benepenheid, meent W.H. Weenink.

Het zal op 1 juni niet voor het eerst zijn dat Nederlandse burgers zich bij een referendum over een Europese Grondwet uitspreken. Eén keer eerder gebeurde dit ook. Meer dan vijftig jaar geleden, op 17 december 1952, kregen de kiesgerechtigde inwoners van Bolsward en Delft deze kans. En ze grepen die massaal, hoewel van enige stemplicht geen sprake was. Het ging om proefreferenda, die waren georganiseerd door de Nederlandse Raad van de Europese Beweging. Bolsward en Delft waren voor dit experiment uitgekozen, omdat ze gezamenlijk representatief werden geacht voor het Nederlandse volk. Het bleken met recht Europese steden te zijn, en ze weerspiegelden de euforische stemming die toen onder de Nederlandse bevolking bestond over Europese eenwording.

De vraag waarover de kiezers zich konden uitspreken, loog er niet om en zal burgers meer houvast hebben gegeven dan de vraagstelling van het huidige referendum: ,,Meent u, dat de Europese volkeren bepaalde gemeenschappelijke belangen voortaan gezamenlijk dienen te behartigen, en wenst u daartoe een verenigd Europa onder een Europese overheid en met een democratische vertegenwoordiging, te omschrijven in een Europese grondwet?''

Meer dan 90 procent van de opgekomen kiesgerechtigden sprak zich in beide steden uit voor zo'n hecht aaneengeklonken Europa. Dat gebeurde bij een opkomst in beide steden die, ondanks vrijwilligheid en ondanks bijzonder slecht weer, ruim boven de 70 procent lag.

Het resultaat was een steun in de rug voor de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, J.W. Beyen. Direct na zijn aantreden in september 1952 was Beyen begonnen aan een campagne voor een nauwe economische samenwerking tussen Europese landen die moest uitlopen op de vorming van een gemeenschappelijke Europese markt. Die economische gemeenschap moest worden ingebed in de plannen voor een Europese Defensiegemeenschap en een Europese Politieke Gemeenschap, waaraan in die tijd werd gewerkt. Deze nieuwe vormen van Europese samenwerking moesten de bestaande Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, die Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux-landen in 1951 in het leven hadden geroepen, aanvullen en zo een hecht aaneengesmeed Europa doen ontstaan.

Dit Europese project was niet onomstreden in het toenmalige derde kabinet-Drees. Beyen nam met zijn collega's Zijlstra (Economische Zaken) en Mansholt (Landbouw) wat Europese gezindheid betreft een minderheidspositie in. De meerderheid in de ministerraad maande vooral tot voorzichtigheid op Europees vlak.

De bevolking wilde met volle kracht vooruit en was meer op de hand van Beyen en de zijnen, net als overigens de meerderheid van de Tweede Kamer. En, niet te vergeten, koningin Juliana en prins Bernhard, die uitgesproken Europees gezind waren en een verregaande vorm van Europese eenwording voorstonden.

Hoe sterk Europees de bevolking dacht, bleek bij een eveneens in december 1952 gehouden enquête. Daarbij sprak bijna tweederde van de ondervraagden zich uit voor de vorming van een Verenigde Staten van West-Europa. En de optie Nederland als provincie van een West-Europese staat kreeg zelfs nog steun van 35 procent.

Duidelijk is dat Europese integratie in die tijd zeker geen project van een politieke elite was. De wens tot eenwording van Europa had een brede basis, leefde in alle partijen (met uitzondering van de zo internationaal ingestelde communisten) en ondervond steun bij hoog en laag en in stad en land.

Hoe anders is het beeld nu. Een kabinet dat de grootste moeite heeft de bevolking ervan te overtuigen dat Europese samenwerking ,,best belangrijk'' is en een bevolking die daar weinig boodschap aan lijkt te hebben. Dit wordt bovendien omlijst met een naar alle kanten uitwaaierend debat, waar een goed woord voor Europese eenheid vooral verveling en hoongelach opwekt, en waarin de indruk wordt gewekt dat Nederland uit de klauwen van de oncontroleerbare Brusselse machtsmachine moet worden gered. Nederlandse belangen zijn immers alleen veilig in Nederlandse handen?

Waarom werd de visie dat Europa zich verregaand moest verenigen in het begin van de jaren vijftig in brede lagen van de bevolking enthousiast begroet en oogst diezelfde gedachte nu alom wantrouwen?

Het heeft allereerst met het tijdsgewricht te maken. Toen, in het begin van de jaren vijftig, werd Europese eenwording niet alleen gezien als uitweg uit een periode van oorlog en totalitarisme, maar ook als middel om een verwoestende economische crisis als die van de jaren dertig te voorkomen.

Verder valt op dat de burger in de vaak als bekrompen gekarakteriseerde jaren vijftig onbekommerd over de grenzen keek voor het verbeteren van zijn toekomst. De burgers beseften dat zij voor het bereiken van vrede en welvaart niet op de eigen natie alleen konden vertrouwen, dat nationale belangen er in dat opzicht minder toe deden dan Europese belangen en dat een overkoepelend – `supranationaal' – bestuur gewenst was om die gezamenlijke belangen het beste te behartigen. Bovendien zagen zij in dat het door de oorlog verwoeste Europa zich alleen als eenheid in de wereld zou kunnen laten gelden.

Het was een visie die haar nut heeft bewezen. Vijftig jaar later leeft Europa in vrede en welvaart, heeft het met succes de instabiliteit van het einde van de Koude Oorlog doorstaan en is het een factor van belang in de wereld geworden. En meer dan dat: het experiment om een Europese eenheid tot stand te brengen is een lichtend voorbeeld voor andere regio's.

Natuurlijk valt er naast deze prestaties heel wat af te dingen op de manier waarop de Europese eenwording vorm heeft gekregen. Zo kon de Europese Unie tot haar schande niet zorgen voor vrede op de Balkan en moesten er weer Amerikanen aan te pas komen om hier orde te scheppen. En ook aan de democratische controle over de Europese besluitvorming schort nog het één en ander. Maar dit zijn nu juist punten waar de nu voorliggende Europese Grondwet perspectief op verbetering biedt.

Wat is er in de Nederlanders gevaren dat zij hun Europese zegeningen niet willen tellen? Zijn vrede en welvaart zo vanzelfsprekend geworden dat men zich van de grote waarde ervan niet meer bewust is? En zijn de kans op een verlaat volksprotest tegen de invoering van de euro, het uiten van verzet tegen de mogelijke toetreding van Turkije en het tonen van afkeer van `de politiek' zo belangrijk en onweerstaanbaar, dat een minder goed functionerende Europese Unie maar op de koop toe wordt genomen?

Ach, er komen nieuwe onderhandelingen en dan zal men rekening houden met onze bezwaren, zo wordt geruststellend geredeneerd. Maar is dit niet een zoethoudertje voor het eigen onrustige geweten? Want is het niet veel waarschijnlijker dat afwijzing van de Europese Grondwet een periode van stagnatie en instabiliteit zal inluiden, zoals het proces van Europese integratie er meer heeft gekend? En dat juist in een periode dat Europa alle zeilen moet bijzetten om economisch en politiek in de wereld mee te kunnen blijven spelen.

Het verzet tegen de Europese Grondwet laat zien hoe provinciaal het debat in Nederland is geworden, hoe helaas velen gefixeerd zijn geraakt op wat in de eigen directe omgeving gebeurt en hoe weinig vertrouwen er bestaat in het overdragen van bevoegdheden aan internationale organisaties – hoe internationaal de nationale problemen in toenemende mate ook zijn.

De burger van de jaren vijftig, die de wereld in een positie van schaarste en zonder de huidige communicatiemiddelen als televisie en internet bekeek, wist wel beter. En hij had gelijk, al dreigen zijn met overvloed aan welvaart en informatie overvoerde kinderen en kleinkinderen hem nu in de steek te laten.

W.H. Weenink is redacteur van NRC Handelsblad. Dit najaar verschijnt zijn biografie van J.W. Beyen.