Hbo-fraude loopt op tot 96 miljoen

Het bedrag dat instellingen voor hoger en middelbaar beroepsonderwijs ten onrechte van de overheid hebben ontvangen, is opgelopen tot 96 miljoen euro.

Vooral de Hogeschool van Amsterdam en de Brabantse Hogeschool Avans zijn hiervoor verantwoordelijk. Dat is de eindconclusie van de Commissie-Schutte, die onderzoek deed naar de zogenoemde hbo-fraude. Met name hogescholen ontvingen geld voor opleidingen of studenten die onjuist waren ingeschreven en geen recht hadden op overheidsbekostiging, zoals beperkt toegankelijke bedrijfsopleidingen of buitenlandse studenten in buitenlandse dependances. Het geld zal zoveel mogelijk worden teruggevorderd door het ministerie van OCW.

In april 2004 constateerde de commissie dat het om 58 miljoen euro aan ten onrechte ontvangen geld ging, bij 147 instellingen. Uit het gisteren gepresenteerde vervolgonderzoek, bij zeven instellingen, blijkt dat dat daar nog eens 38 miljoen euro bijkomt. Bij de presentatie van het eindrapport meldde commissievoorzitter en voormalig Tweede-Kamerlid G. Schutte dat het bedrag nog met minimaal vier miljoen, en wellicht meer, zal oplopen door twee technisch-financiële correcties. Het twee jaar durende onderzoek heeft elf miljoen euro gekost.

Het extra bedrag komt vooral voor rekening van twee hogescholen: de Hogeschool van Amsterdam (25 miljoen) en Hogeschool Avans (20,7 miljoen). De HvA heeft aangekondigd de aanslagen met juridische middelen te bestrijden en stelt de commissieleden persoonlijk aansprakelijk voor `reputatieschade'.

Circa 80 procent van het totaalbedrag komt voor rekening van tien instellingen, drie hiervan zijn verantwoordelijk voor 57 miljoen euro. De twee grootste hogescholen van Nederland, InHolland en Fontys, zijn slechts voor bescheiden bedragen aangeslagen, respectievelijk twee ton en 5.300 euro. Bij Fontys gaat het om één student.

Staatssecretaris Rutte (Onderwijs, VVD) heeft laten weten dat hij het ,,forse bedrag'' zoveel mogelijk zal terugvorderen. Claims waar het ministerie zelf ,,juridisch kwetsbaar'' is, zullen niet worden ingediend. Om te voorkomen dat instellingen in financiële problemen komen, zal de terugvordering in termijnen gebeuren. Strafrechtelijke vervolging heeft volgens de commissie weinig zin, omdat het openbaar ministerie er waarschijnlijk geen brood in ziet. Bovendien zullen boetes bij een eventuele veroordeling veel lager uitvallen dan de nu terug te vorderen bedragen.

Rutte deelt de conclusie van Schutte dat ,,onderwijsland geen fraudeland'' is, omdat het bedrag voornamelijk voor rekening van een klein aantal instellingen is. Bovendien zijn er, aldus Rutte, ,,geen zwembaden aangelegd in achtertuinen van bestuursvoorzitters''. Het geld is niet onttrokken aan de belastingbetaler, maar aan andere onderwijsinstellingen die de regels wel hebben gevolgd.

Volgens de HBO-raad, koepel van de hogescholen, erkent de commissie terecht dat er een spanning bestond tussen maatschappelijke vraag naar bepaalde opleidingen en ruimte die de wet bood. Voorzitter D. Terpstra: ,,In veel gevallen speelden hogescholen in op maatschappelijke behoeften en daar worden ze nu voor gestraft''. Volgens de hogescholen waren regels van het ministerie van OCW onduidelijk en zijn constructies die nu omstreden zijn, aangemoedigd.